sluiten

Verhaal: Voorzieningen, de melkrijders

Zoals met alles in de polder kwamen ook de melkrijders vanuit de omliggende plaatsen de polder in om bij hun klanten de melk te halen. Elke melkfabriek had z’n eigen klanten dus reden er meerdere melkrijders in één gebied.
De melkfabrieken in Genemuiden, Hasselt en ’s-Heerenbroek en Blokmelk in Frankhuis waren coöperaties en Van Heel in Kampen was particulier.

Derk v.d. Brink kwam de melk halen aan de Nieuwe Wetering en de Oude Wetering. Vanaf ’58 deed de heer Barneveld dit. Zowel Derk v.d. Brink als de heer Barneveld had twee kidden (kleine paarden) voor de wagen. Als de lange wagen vol was, konden ze hem haast niet trekken.

Melkgeld
De melkrijder bracht ook het melkgeld van de fabriek mee, en dat waren soms best grote bedragen. Hij had een kistje op de wagen met daarin alle enveloppen. Dat kon rustig buiten blijven staan als hij ergens naar binnen was, het werd nooit gestolen. De bruine enveloppen met het geld werden in een bus gelegd. Het deksel van de bus werd er los op gelegd, zodat de boer wist dat in die bus het melkgeld zat.

Water en wei
Tot 1963 nam de melkrijder één keer in de twee weken ook water mee voor de witte was. Dat waren al gauw zo’n tien bussen met veertig liter water. Dat moest allemaal de belt op, in huis gebracht worden. Dat gebeurde meestal met een karretje.
Naast water bracht de melkrijder op bestelling ook (melk)wei mee. Dat kreeg het grotere jongvee te drinken. Als het heel warm was dronken de kinderen ook weleens van de wei, zo uit het deksel van de bus. Je kon ook boter (er was toen alleen roomboter) en karnemelk bestellen voor eigen consumptie. De karnemelk werd geleverd in een glazen fles met een zilveren dop erop.

spek eten
Aan de Nieuwe Wetering kwam ook melkrijder Jan (van Mina) v.d. Kamp. Jan van Ittersum keek als kind vol bewondering naar Jan v.d. Kamp. Later, als hij groot was, wilde hij ook melkrijder worden. Zijn oma zei: “dan moet je veel spek eten, want anders kun je de bussen niet op de wagen krijgen!”

Lambert Bloemhof, in dienst bij Klaas van den Berg als melkrijder, reed de melk naar Hasselt met twee melkwagens. Met de ene ging hij op pad en bracht de bussen weg naar de boeren. Als de wagen leeg was ging hij de andere halen die hij op een kleine uitsparing langs de weg bij het Vosje geparkeerd had en maakte daarna ook deze leeg. Later begon Bloemhof voor zichzelf. Van de gezamenlijke inspanningen van Klaas en Warner van den Berg is Landbouw Mechanisatie Bedrijf Van den Berg het resultaat.

Bron(nen): 
Bronnen: Ab en Roelie Kok, Jan van Ittersum, Arie Kroes
Auteur: Annet Jonker
Foto's: krantenknipsel Deltapost, Jan van Ittersum, Hannie Knol
sluiten

Verhaal: Voorzieningen, veekopers en slagers

De Joden Marcus en Simon de Keizer kochten vee in de polder. In de oorlog werden ze weggevoerd en overleden. Later kwamen Goossen en Klaas Snel en Wicher Brommer om vee te kopen, weer opgevolgd door Albert Roeland en diens zoon Sander.
Ook Jan Verhoek handelde in vee, Albert Schaapman kocht vooral kalveren in de polder. Zijn kleinzoon Albert Brouwer doet het nu nog. Voerman van de coöperatie GOS kwam de polder in om vee te kopen.

Gait Veggie (Gerrit v.d. Vegte) van de kamperzeedijk kocht vooral biggen.
Voor de oorlog kochten ook de broers Van Teijn uit Zwolle vee om te verhandelen. Zij zijn in de oorlog nog ondergedoken geweest in Mastenbroek, bij de familie Van Milgen, Ze overleefden de oorlog en pakten hun beroep weer op.

Slagers
De slagers kwamen naar de boeren om vee te kopen dat ze konden slachten zodat ze vlees konden verkopen aan mensen in de stad.
Vanuit Genemuiden kwam slager Van Rees langs de Oude Wetering. Roel Fijn was ook een bekend man, hij kocht koeien voor de slager. Ook slager Aalderink uit Kampen kocht vleeskoeien aan de Oude Wetering. Hij kwam de koeien bekijken en dan werd er nog even heftig onderhandeld met de boer. Als dat klaar was nam hij het ‘nagelhout’, het gedroogde vlees van de vorige slacht en bekeek het. Dit was vlees afkomstig van huisslacht. De achter- en of voorbouten van de koe of de hammen van het varken werden in de schoorsteen, boven het fornuis in de keuken gehangen om te drogen.

Ook was er in sommige huizen op zolder een gat in de schoorsteen gemaakt waaromheen een soort kast gebouwd was waar het vlees hing. Als het klaar was werd het in de keuken aan het plafond, aan het nagelhout gehangen. Soms zat er een behoorlijk zwarte laag om het vlees heen van de rook. Dat haalde je er af en dan had je heerlijk vlees.

Bron(nen): 
Bronnen: Ab en Roelie Kok, Hannie Knol, Bernard Reuvekamp, Jan van Ittersum
Auteur: Annet Jonker
Foto's: Internet
sluiten

Verhaal: Voorzieningen, de kruideniers

Vanuit Westenholte bezorgde kruidenier Meutgeert de bestelde boodschappen in de polder. Hij had een grote mand voor op de fiets. Iemand bestelde bij hem een pakje café noir, een soort biscuitjes met mokkaglazuur aan de achterkant. De vrouw kon niet zo snel op de naam komen en bestelde een pakje biscuit, je weet wel, met bruin van achteren. Meutgeert schreef het op en herhaalde: “..één bruin van achteren.”

Bakker Wessels kwam vanuit ’s-Heerenbroek, waar hij een flinke winkel had, brood, gebak en kruidenierswaren brengen. Een uitspraak van hem: “zo ma doen, vrouw van Issum? (zo maar doen, (me)vrouw van Ittersum?) Ook vanuit ’s-Heerenbroek kwamen de twee broers Bronsveld brood bezorgen in de polder.

Jan Palland had een pand in Hasselt met een mooi trapgeveltje. Hij verkocht allerlei benodigdheden voor in en om het huis, zoals bezems, boenders, dweilen, koperpoets enz. Net als kruidenier Kluin die vanuit zijn winkel in Westenholte zijn waren de polder in bracht. Van kruidenierswaren tot spullen die de boeren nodig hadden voor het vee.
Eerst kwam hij met paard en wagen, later met de bestelauto om de bestelde spullen af te leveren. In de jaren ’40 en 50’ had hij een wagen met zeildoek, waarvan de zijkanten omhoog konden. Zo kon je zien wat hij allemaal op de wagen had en verkocht.

Grap
Bernard Reuvekamp vertelt: “Kluin was al wat op leeftijd en autorijden was niet de favoriete bezigheid van mijnheer Kluin. Achteruit rijden al helemaal niet. Bij ons op het erf moest hij óf achteruit rijden óf om de hooiberg heen rijden waar heel weinig zicht was.
Wij als kwajongens wilden weleens zien of hij snel kon stoppen als er iets onverwachts gebeurde.
Daarom hadden we bedacht om net met de kruiwagen vol mest de staldeur uit te komen als kruidenier Kluin met zijn wagen om de hooiberg kwam. Dat lukte, maar Kluin schrok zo vreselijk dat hij gas gaf in plaats van te remmen. Hij kon de bocht om de schuur niet meer nemen en belandde in de struiken.
Nadat we hem hadden geholpen de auto weer op de weg te krijgen, bedankte hij ons voor de hulp en kregen we snoep van hem. We hadden niet meer de moed om te zeggen dat het onze schuld was… Gelukkig had hij geen schade!“

Kruidenier Sterken kwam vanaf Hasselt de polder in. Hijzelf of de heer Naberman bezorgden de spullen van de Centra in de polder. Hannie Knol bewaarde ooit een lepeltje van de Centra. Naberman was een joviale man en kon mooi en snel tekenen, wat de kinderen erg leuk vonden. Op een keer kwam hij bij een tante van Hannie Knol binnen, gooide de bestelde boodschappen op tafel maar deed dit van iets te grote afstand. Het gevolg: een kilo pak suiker kwam niet op tafel terecht maar in een emmer met water die daar stond. Verder was er nog een Vivo in Hasselt die gerund werd door Galenkamp.

Bron(nen): 
Bronnen: Ab en Roelie Kok, Hannie Knol, Bernard Reuvekamp, Jan van Ittersum
Auteur: Annet Jonker
Foto's: Internet en Annet Jonker
sluiten

Verhaal: Voorzieningen, de post

Zo rond de eeuwwisseling van de 19e naar 20e eeuw was Egbert van Dijk een heel bekende en graag geziene verschijning in Mastenbroek. Hij bezorgde als laatste postbode in de polder de post lopend met zijn stok. Hij woonde aan de Hoogstraat 246 in Zwolle met zijn vrouw Christina van Weeghel en hun zes kinderen (zeven andere kinderen overleden).
De polder zag er toen nog totaal anders uit: naast de weteringen liepen de weggetjes, met elkaar verbonden door de nodige bruggetjes. Dat was voor de postbode weleens lastig. Vooral als de post afgeleverd moest worden bij een woning die tussen twee bruggetjes in lag.

Post aan een tak
Hij probeerde dan de aandacht van de bewoners te trekken door te fluiten of iets dergelijks. Daar kwam men snel op af, want post kreeg je niet vaak. Als de bewoners aan de overkant van de sloot stonden, bond Egbert de post vast aan een tak die hij van een boom had gesneden en zwiepte dan alles naar de overkant. Soms kwam de post in het water terecht. Dan bracht de hond van de bewoners uitkomst: hij sprong in het water en bracht de post op het droge.

Bescheiden
Het loon dat hij verdiende als postbode was acht gulden per week. Zijn functie was officieel bode 1e klasse. Hoewel er nog geen leerplicht bestond, volgde Egbert lessen in lezen en schrijven omdat hij vond dat een postbode juist dit moest kunnen.
Hij kende zijn verantwoordelijkheden en ging daarin zo ver dat hij een bevordering aanvankelijk weigerde, omdat hij zijns inziens niet aan die hoge norm zou kunnen voldoen. De bevordering ging later alsnog door, maar hij heeft kunnen voorkomen dat hij bevorderd zou worden tot Hoofdpostbode. Hij heeft hier nooit spijt van gehad.

Afscheid
Toen hij in 1920 afscheid nam, bezorgde hij de laatste ronde in de polder niet alleen de post en gooide ook niets met zijn stok over. Hij bezorgde bij alle bewoners een kaart waarop hijzelf aan de voorkant in uitrusting van de posterijen afgebeeld was. Op de achterkant had hij met potlood keurig naam en adres van de bewoner geschreven.
Eind 1944, begin 1945 is postbode Egbert van Dijk op 96 jarige leeftijd overleden. Hij ligt begraven op de begraafplaats Bergklooster in Zwolle.

'Lopende' bank
Rond 1950 bezorgde Jaap Esselink post in (een gedeelte van) de polder. Hij kwam altijd op de bromfiets. Als hij zag dat je buiten bezig was bijvoorbeeld bij de persbult, dan stopte hij even en maakte een praatje. Ook onder het koffiedrinken vertelde hij van alles en maakte ook veel grappen.
Verder was hij ‘een lopende bank’: hij nam o.a. het geld van de AOW mee, maar als er iets betaald moest worden, zorgde hij er ook voor dat het geld op de goede plaats kwam.
Natuurlijk moest hij onderweg wel eens een keer naar de wc. Dat kon overal wel, je zag dan zijn tas tegen de schuur staan en dan wist je dat Jaap ‘op het huussie zat’.
Als postbezorger heeft Gerrit Schubert ook gewerkt in de polder.

Bron(nen): 
Bron:fam. Kok, krantenknipsel uit Deltapost uit archief fam. Knol
Auteur: Annet Jonker
Foto: gemaakt van foto uit archief fam Knol
sluiten

Verhaal: Voorzieningen, kolen en olie

Voordat er gas en elektra was in de polder werd er op hout of turf gekookt. De turf voor de bewoners van de polder werd aangevoerd via het Zwarte Water. De mensen gingen dan met paard en wagen richting Keur aan de Hasselterdijk om turf op te halen. De wagen werd volgeladen en thuis gelost: er kon weer gekookt worden.

In de kamer werd de kachel gestookt op kolen. In de herfst kwam de kolenboer langs de huizen om het kolenhok weer te vullen. De kolen werden in een kolenkit gedaan, die bij de haard stond. Daar kon je zo wat kolen uitschudden in de kachel.

Op vrijdag of zaterdag kwam Gait Jan Visscher van de Bisschopswetering langs de huizen om petroleum te brengen. Alle lampen werden dan weer gevuld.
In de jaren ’70 kwamen er oliekachels, zodat de bewoners meer petroleum nodig hadden.

Bron(nen): 
Bron: fam. Kok
Auteur: Annet Jonker
Foto's:van internet
sluiten

Verhaal: Voorzieningen, de huisartsen

In de polder werden de bewoners geholpen door de huisartsen in de plaats die het dichtstbij gelegen was. Vanuit de Koestraat in Zwolle kwam dokter Klinkert de polder in, zijn collega van de Hoofdstraat uit Hasselt was dokter Nienhuis, en vanuit Genemuiden kwam dokter Provó Kluit.
Als er iemand ziek was ging men in de jaren ’20 op het paard de dokter halen. Er was immers nog geen telefoon. Het paard werd in de jaren ’40 ingeruild voor de fiets, die in de jaren ’50 vervangen werd voor een bezoekje aan de dokter met de auto.

Bevallingen
Bevallingen werden door de huisarts gedaan. Moeder en kind werden door de buurvrouw verzorgd, het was gewoon burenplicht. In latere jaren kwam de Wijkverpleging moeder en kind wassen en verzorgen. De kraamvrouw lag tien dagen op bed, vaak de eerste dagen met een sluitlaken om.

Nachtelijke tocht
In Genemuiden had Piet Provó Kluit (geboren in 1903 in Samarinda, Borneo) van 1932 tot 1959 zijn huisartsenpraktijk aan de Langestraat 66. Zijn vrouw, Maria Hendrika Houbolt werd zijn rechterhand, want de bij de praktijk behorende apotheek werd door haar beheerd. Dokter Provó Kluit was heel begaan met de bevolking, die het tijdens de crisis en in de oorlogsjaren niet breed had. Er heerste nogal eens tyfus en dat kwam o.a. doordat Mastenbroek in 1944 onder water stond en uit de waterputten besmet water dronk. Zodoende fietste deze dokter vaak de ondergelopen polder in, soms ook op weg naar ’s-Heerenbroek of Wilsum.
Tijdens de periode van de inundatie in 1944/1945 was er bij één van de veehouders aan de Nieuwe Wetering iemand ziek. ’s Avonds om tien uur vertrok men met een roeibootje richting Genemuiden. Daar moest de huisarts, dokter Provó Kluit vandaan komen.
Het was uitkijken geblazen, want net onder het wateroppervlak lagen diverse obstakels. Er was geen licht en men moest een aanvaring voorkomen.
De reis ging voorspoedig, maar kostte wel veel tijd. De dokter werd gehaald en naar zijn patiënt gebracht. Na het doktersbezoek werd hij weer naar huis, in Genemuiden geroeid, waar hij rond vijf uur ’s morgens weer werd afgezet. Dokter Provó Kluit heeft van die tocht veel schik gehad!

Vergissing
Waar de polderbewoners weer schik om hadden was het verhaal dat dokter Provó Kluit ’s winters de weg kwijtraakte. Er lag zoveel sneeuw en ’s nachts onderweg naar een bevalling aan de Oude Wetering nabij ’t Hanerik wist hij op de Schaapsteeg niet meer hoe hij verder moest. Hij vroeg de weg aan wat hij dacht dat het een bewoner van de polder was, maar wat een ondergesneeuwde forse paal bleek te zijn.

‘de Doktersbus’
In de oorlogsjaren richtte deze dokter een soort ziekenfonds op, dat bestond uit de Doktersbus. Hier kon men geld in stoppen ten behoeve van de mensen die het ongelofelijk slecht hadden. Veel mensen aten in die tijd niets anders dan roggebrood met spek. Geen wonder dat er veel mensen ziek werden. Aan de Oosterkade waren ‘lighallen’ ingericht om de lichamelijk verzwakte mensen weer op verhaal te laten komen onder de nooit aflatende medische zorg van dokter Provó Kluit. De dokter ‘verzuimde’ ook weleens een nota te sturen.
Op de derde dinsdag van oktober 1959 overleed dokter Provó Kluit, die geen vakantie kende en altijd klaarstond voor zijn patiënten, plotseling. ’s Morgens was hij nog naar de Beestenmarkt geweest en kort daarna was hij niet meer. Hij werd opgevolgd door zijn schoonzoon.

Bron(nen): 
Bron: fam. Knol, fam. Kok, krantenknipsel Deltapost uit archief fam. Knol
Auteur: Annet Jonker
Foto's: gemaakt vanaf krantenknipsel, Annet Jonker
sluiten

Verhaal: Hooien

De boerenkinderen van de lagere school kregen in juni hooibouwverlof om te helpen met het hooien. De dag werd begonnen met pannenkoeken, soms met uitgebakken spek. ’s Avonds was er chocolademelk en nog een bord havermout. “We moesten het hooi, dat niet meegenomen werd met de teemplank, bij elkaar harken, tot in den treure,” zegt Gerrie Knol - v.d. Weerd. “Of het hooi schudden en bij elkaar maken.” Ook de slootkanten, die soms erg ongelijk waren, moesten uitgeharkt worden. Zwaar werk bij warm weer. Er ging dan ook koude thee mee naar het land, in een drinkkannetje of in een blauw geëmailleerde drinkkan met Grolsch sluiting. Deze werd soms in de sloot gezet, zodat het drinken koud bleef. Ook Hannie Knol – v.d. Vegte weet hierover mee te praten. Als ze veertien is, komt ze van school en moet ze helpen het hooi op de kar te laden.

Taakverdeling
De mannen staken het hooi omhoog ‘schoten het op’ op hooivorken met extra lange steel, de zgn. ‘schootvork’.
De lader pakte het hooi aan en legde het op de wagen. Dat was een heel precies werkje, want hoe meer hooi je op de wagen mee kon nemen, hoe beter. Soms zaten er aan de wagen zijschotten van 30 á 40 centimeter. Dat maakte je eerst vol en daarna begon je de wagen uit te bouwen. “Je pakte het hooi aan en ‘welterde‘ het, draaide het een halve slag. Dat deed ik meestal met de hand, sommigen konden het ook met de vork. De losse einden kwamen naar het midden van de wagen te liggen, de rol naar buiten. De volgende hand vol legde je half over de vorige, zodat het strak tegen elkaar aan lag. Steeds verder over de rand, zodat de wagen uiteindelijk flink wat breder werd. Bovendien moest het aan beide kanten evenveel oversteken, anders viel er een deel van het hooi af als je door een ‘knipgat’ reed,” vertelt Hannie Knol. Als er veel distels in het hooi zaten, gebeurde het welteren meestal met een vork. Je droeg altijd lange mouwen als je het met de hand laadde, want het hooi prikte.

Vervoer
Als de wagen vol was kwam er een ‘boom’ over, een lange den die voor en achter met een touw werd vastgezet zodat het hooi er onderweg naar huis niet afviel. Later gebruikte men vaker een touw dat links en rechts kruislings over het hooi werd gespannen.

Als het hooien van de eerste snede (in juni) klaar was, werd er een tak van een boom boven in het laatste voer (vracht) hooi gezet. De buurt kon dan zien dat het hooien er op zat en er werd dan ook een feestje gevierd. Samen chocolademelk drinken, later kwam er ook wel een biertje bij.

Ontwikkeling
Een hele verbetering was de uitvinding van de hooiventilator, die in of aan de voorkant onder de hooiberg werd geplaatst. Als het hooi dan warm werd, omdat het niet droog genoeg in de hooiberg was gekomen, blies de ventilator erdoor zodat het afkoelde. Soms kwam er dan behoorlijk wat stoom uit het hooi, zodat de boeren weleens dachten dat het hooi al in brand stond. De brandweer werd af en toe voor niets gebeld. De ventilatie voorkwam hooibroei, iets wat regelmatig gebeurde na de komst van de kunstmest. Hierdoor groeide er meer gras, waardoor het moeilijker droog te krijgen was.

Voorzorg
De verzekeringsmaatschappijen hadden in die tijd de zgn. hooipeilers in dienst. Zij kwamen met een ijzeren peilstok met een soort thermometer eraan, de hooiberg afzoeken op hooibroei. Een heel precies en vakkundig werk. Als het ergens te heet was, moest de hooiberg uit elkaar worden gehaald. Hiervoor werd de hulp van de buren ingeroepen. Het was vaak gezellig met elkaar en de vrouw des huizes zorgde tussen de middag voor een maaltijd.
Bernard Reuvekamp herinnert zich dat de vrouwen eens een lekkere pudding gekookt hadden. Nu had een zekere Gait een gruwelijke hekel aan het vel dat boven op de pudding lag. Natuurlijk lieten de vrouwen hem beginnen en keken toe hoe hij dit zou doen. Maar Gait duwde na enig nadenken het vel aan de kant en schepte de pudding er gewoon onderuit!

Bron(nen): 
Bron: Gerrie Knol - v.d. Weerd, Hannie Knol, Bernard Reuvekamp
Auteur: Annet Jonker
Foto's: uit het archief van fam. v. Ittersum, Post, Knol, Reuvekamp, v.d. Weerd, Kok en Van Gerner
sluiten

Verhaal: Kienhout of stobben

Als het zomers lang droog is of wanneer de bodem inklinkt door ontwatering komen er nog regelmatig zulke kienstobben naar boven. Bertha en Egbert Kanis, die vroeger bij de Papekop woonden, vertellen dat het heel wat messen van maaibalken gekost heeft. Want als je gras ging maaien en je mes kwam tegen zo’n harde punt, was het kapot. Later met de cyclomaaiers ging het beter. Uit 3,5 hectare land die Egbert en Bertha midden jaren ’70 in de buurt gekocht hadden zijn zo’n 150 stukken kienhout uitgegraven.

Problemen
Ook Bernard Reuvekamp, die een boerderij bij ’t Werkel had (die inmiddels is opgegaan in Stadshagen) herinnert zich dat er eens loonwerker bij hem op het land aan het werk was. Hij had de machinist goede instructies gegeven. “Als je hout raakt, laat het gewoon zitten en werk er omheen!” Als Bernard Dat ging prima, totdat er een andere machinist aan het werk was. Toen Bernard even naar huis was geweest en weer terug kwam, hoorde hij een machinemotor tekeer gaan. Waar hij bang voor was, was gebeurd. De man had een grote stronk naar boven gehaald en stond er trots bij. Het probleem van Bernard was dat het grote gat dat achterbleef, weer aangevuld moest worden met zand!

Wim Blankvoort, boer aan de Oude Wetering, vertelt dat hij ’s zomers, als het wat langer droog is geweest, in het land kan zien waar houtresten in de bodem zitten. Het gras verkleurt daar roodbruin, doordat de wortels van het gras op het hout zitten en ze geen krijgen voeding meer krijgen.

Bron(nen): 
Bron: fam. Kanis, Bernard Reuvekamp, Wim Blankvoort
Auteur: Annet Jonker
Foto: Annet Jonker
sluiten

Verhaal: De school, voortbestaan

Was er in 1923 een leerlingenaantal van 40 nodig om de school te mogen starten, het voortbestaan van de school heeft vaker aan een zijden draadje gehangen. Het leerlingenaantal was soms laag, soms hoog. In 1985 wordt de lagere school, net als alle andere scholen, basisschool.

Samenwerking
Midden jaren negentig telt de school 48 leerlingen, en dat is te weinig om als school zelfstandig te blijven functioneren. Als gevolg van de schaalvergrotingsoperatie in het onderwijsbestel ligt dit aantal ver onder de opheffingsnorm van 69 leerlingen. Vandaar dat het bestuur zoekt naar samenwerking met andere scholen in de omgeving. Al enkele jaren is er overleg met de school in Hasselt en al spoedig is er een intentieverklaring waarin wordt uitgesproken dat men samen wil werken. Een stuurgroep wordt in het leven geroepen die de samenwerking verder gaat voorbereiden en uitwerken, met advies van het administratiekantoor DCO in Zwolle.
Na enkele andere bijeenkomsten is wordt de handtekening gezet door vier voorzitters van evenzoveel scholen om samen te gaan werken. De Prins Willem Alexanderschool, De Driemaster, Het Anker en Mastenbroek gaan per 1 oktober 1997 samenwerken. In het jubileumboekje, uitgegeven in 1998, schrijft de heer J. Pas, Directeur, dat het leerlingenaantal weer gegroeid is naar ‘momenteel 64 leerlingen. Dat geeft vertrouwen voor de toekomst”. Hij verwacht dat er over een jaar of twee ongeveer 75 kinderen op de school zullen zitten.

Anno 2013 heeft CBS ‘de Driemaster’ in Mastenbroek 33 leerlingen.

Bron(nen): 
Bron: krantenartikel uit Jubileumkrant 75 jaar school in Mastenbroek, website de Driemaster
Auteur: Annet Jonker
Foto: van internet
sluiten

Verhaal: De school, jubilea

60-jarig bestaan
Op dinsdag 18 januari 1983 werd aandacht besteed aan het 60 jarig bestaan van deze Christelijke lagere school, er werd een herdenkingsdienst gehouden in de Hervormde kerk en na afloop was er in het ontmoetingscentrum ‘Het Trefpunt’ een feestelijke receptie met gelegenheid om toespraken te houden.

Feestavond
Naast deze herdenkingsdienst werd op 18 februari een grote feestavond gehouden in de sporthal te Hasselt. Voor deze feestavond werden alle 637 nog in leven zijnde oud-leerlingen en hun echtgenoten uitgenodigd. Deze feestavond werd helemaal door de oud-leerlingen zelf verzorgd, ze voerden onder meer toneelstukjes op uit de afgelopen 60 jaar waarbij telkens een periode van 10 jaar op de planken werd uitgebeeld. Zelfs de groep die in 1923 voor het eerst naar de Christelijke school ging was nog in leven en ook zij hebben deze avond hun steentje bijgedragen.

75-jarig bestaan
In april 1998 bestaat de school 75 jaar, en dit wordt gevierd. Op 22 april wordt er een herdenkingsdienst gehouden. Voor de kinderen is er op 24 april feest en een reünie wordt op zaterdag 25 april georganiseerd. Ruim 500 oud-leerlingen en - leerkrachten geven gehoor aan de uitnodiging de reünie bij te wonen. Omdat de respons veel groter was dan verwacht, werd er op het schoolplein een tent geplaatst, waar men de bezoekers kon ontvangen. De leeftijd van de reünisten varieerde van 16 tot 83 jaar.
In het schoolgebouw was één van de lokalen voor zover mogelijk nostalgisch ingericht met een echte meesters-lessenaar en een authentieke schoolbank. En er hingen maar liefst 25 authentieke wandkaarten, deels uit het archief van de school, deels in bruikleen van de oudheidkamer van Genemuiden.

Er werd een jubileumkrant uitgegeven ter eer van het 75-jarig bestaan en voor de kinderen was er een feest met een goochelaar en werden er allerlei spelletjes gedaan. Ze werden die dag met een versierde wagen van huis gehaald en naar school gebracht.
De feestelijkheden werden een dag lager afgerond met een reünie van alle oud-leerlingen van de school in Mastenbroek

Jubileum Juf van Assen
Toen juf Wil van Assen 25 jaar lesgaf op de school in Mastenbroek, was het groot feest. Op de bewuste dag werd ze vanuit Emmeloord, waar ze woonde, opgehaald door Gerrit Pelleboer in zijn Amerikaanse oldtimer. Toen ze bijna bij de Oude Wetering aangekomen waren, werd de mooie witte auto begeleid door twee versierde boerenwagens, waar de kinderen van de basisschool op zaten. Het werd een echte optocht!
Toen juf van Assen bij school aankwam, werd ze verwelkomd door de kinderen, die voor haar zongen. In het feestprogramma was ook een plaatsje ingeruimd voor goochelaar Duitman. Juf van Assen werd deze dag begeleid door twee leerlingen, Evelien v.d. Brink en Hennie Meuleman.

Bron(nen): 
Bron: krantenknipsel Deltapost uit archief fam. Knol
Auteur: Annet Jonker
Foto's: uit krantenknipsel, uit archief fam. v.d. Kolk

Pagina's

Subscribe to RSS - het dagelijkse leven