sluiten

Verhaal: School Kamperzeedijk

Vroege (christelijke) scholen voor de bevolking van de Mastenbroeker polder.

In andere verhalen op deze website wordt terecht, en met gerechte trots, melding gemaakt van de christelijke school (sinds 1923) als opvolger van de openbare school die in 1850 zo’n veertig leerlingen had.

Maar dat wil niet zeggen dat kinderen uit voorliggende periodes geen (christelijk) onderwijs kregen. Dat was er wel degelijk, hoewel wellicht niet voor iedereen.
Voordat in 1801 een nationale schoolwet ging gelden werd het onderwijs lokaal geregeld door de kerken, op basis van de schoolorde van 1666. Maar zelfs daarvoor waren er al kerkelijke scholen in ’s Heerenbroek, verzorgd door het Kerspel Zwolle en Mastenbroek. Want het is bekend dat in de periode 1661 tot 1664 de kerkenraad van Mastenbroek problemen had met de herberg houdende schoolmeesters aldaar.
In 1796 werd eveneens een kerkelijke school gesticht in Genne-Overwater en in 1820 zelfs nog een in Robolligehoek. De school in de buurt van de kerk werd meestal ‘bemeesterd’ door de koster/voorzanger/voorlezer.

Voor 1704 was er ook al een school aan de Kamperzeedijk, gezamenlijk gesticht en betaald door de kerkenraden van Mastenbroek en IJsselmuiden.
De ‘meesters’ voor die school werden benoemd door beide kerkenraden afzonderlijk. Kandidaten moesten niet alleen zelf kunnen lezen, schrijven en rekenen, maar ook Bijbelverhalen kennen en kunnen vertellen en goed psalmen kunnen zingen.
Er mag dus van worden uitgegaan dat een dergelijke school als een christelijke school mag worden gekwalificeerd.

De school stond aan de Zeedijk, ongeveer tegenover waar nu nog steeds de boerderij Maaterve ligt.
Er is nog een oude landkaart – waarschijnlijk een replica van de kaart van Hottinger uit 1783 – waarop de locatie van die school staat aangegeven. En een andere (kadastrale) kaart, afkomstig uit de oudheidskamer van Genemuiden, waarop die locatie nader wordt gepreciseerd.

In 1795 kwamen er problemen. Omdat beide kerkenraden afzonderlijk moesten beslissen over de aanstelling van een nieuwe ‘meester’ en bovendien ook nog een groepje ‘recalcitrante’ bewoners zich ermee bemoeide.

De kerkenraad van Mastenbroek stelde destijds als nieuwe meester de zoon van hun koster voor. De kerkenraad stemde in, hoewel niet unaniem.
De kerkenraad van IJsselmuiden vond het allemaal wel goed en stemde wel unaniem voor, maar kende de man eigenlijk niet.
Enkele bewoners van de Zeedijk (en wellicht ook uit het zo genoemde kerkelijk district in de noord westelijke hoek van de polder) waren het met dit besluit helemaal niet eens. Ten eerste omdat zij meenden dat de kandidaat niet geschikt was – hij zou zelf nauwelijks kunnen lezen en schrijven en niet kunnen (psalm) zingen – maar verder ook omdat zij claimden dat zij als onafhankelijken het recht hadden mee te mogen beslissen.
Overigens ressorteerden de bewoners van de Zeedijk, tot aan de Veneriete, ook in die tijd al onder de kerk van IJsselmuiden en niet onder die van Mastenbroek.

Zij wendden zich via de drost van IJsselmuiden, de toen voorlopige provinciale bestuurder, tot de Provinciale Staten van Overijssel met het verzoek de benoeming te willen tegenhouden.
Het hele proces, dat onder meer tot gevolg had dat een half jaar lang er helemaal geen school was, duurde heel lang. Hoe het precies is afgelopen is (mij) niet bekend maar uiteindelijk besliste de drost – die het met dit probleem best moeilijk gehad zal hebben – wel dat de kerkenraden van Mastenbroek en IJsselmuiden niet afzonderlijk maar in een gezamenlijke vergadering tot een benoeming moesten komen. Daarbij de figuur en de kwaliteiten van de betreffende kandidaat in het midden latend.

Het proces verbaal van het hele gebeuren is gelukkig bewaard gebleven. Zoals uit bijgaande foto’s blijkt waren er nogal wat mensen, waaronder ook die zelf kennelijk de schrijfkunst niet machtig waren en wellicht die school dus zelf nooit bezochten, die het protest steunden. De pretentie dat zij ‘zig alteid de vrijheid hebben aangematigt zig te bemoeien in het verkiezen van een schoolmeester aan de Zeedijk’ is daarbij opmerkelijk.
Arent van Spiker, de eerste ondertekenaar, toen zelf wonend (op het spijker) aan de Zeedijk, later diaken, respectievelijk ouderling van de kerk van IJsselmuiden, was een directe voorvader van mij. Later werd zijn naam officieel Van ’t Spijker.

Auteur: Frits van ’t Spijker.

Bron(nen): 
Historisch Centrum Overijssel
Historisch Centrum Genemuiden
Het boek Omarmd door IJssel en Zwartewater/ IJsselakademie
Familiearchief Van ’t Spijker
sluiten

Verhaal: Hoe het stil werd in de polder deel 2

Deel 2

Met paarden ploeteren over baggerwegen

De wegen waren in die periode nog erg slecht. Rondom de polder waren grindwegen, maar voordat de boeren die konden bereiken, moest eerst een eind worden geploeterd over ‘baggerwegen’, zoals Jan Hoekman ze noemde. De wegen in de polder kwamen pas in het voorjaar weer boven water en moesten dan worden verhoogd om boven de waterspiegel te blijven.

Nu waren deze wegen in de zomer soms heel mooi. Maar met een weinig regen had men al kuilen en soms gaten zo diep dat men niet wist hoe met een vracht hooi het was te berijden. Ik haalde eens met mijn stiefvader een klein vrachtje hooi uit de Rietsteeg in Mastenbroek. Bij de zogenaamde Papekop zakten de wielen door de weg, tot de assen toe. De twee paarden konden die er niet uithalen zonder afladen, hoewel de vracht geen 500 kilo was. Ik schrijf dit als bewijs hoe toen de wegen waren. Van half oktober tot half maart waren zij helemaal niet te berijden. Tenzij met vorst over de bevroren kluiten. Gedurende de winter waren alle lage landen onder water en ook lage delen der wegen, zodat alle vervoer met bok, schuit of trekschuit plaats had. Soms moesten de kinderen met de schuit naar school gebracht worden en afgehaald. Zondags ging men winter en zomer met de schuit naar de kerk. Dan moest er een paard voor, dat heb ik menigmaal bereden. Ook wel dat einden van 20 meter onder water stonden. Dit was wel te doen, omdat de wegen recht waren. Maar omdat niets te zien was, zonk men soms in diepe kuilen wat voor het paard gevaarlijk was. Zulke plaatsen moesten in stap bereden worden.
Naar de markt maakte men van de trekschuit gebruik. Begon het te vriezen dan moest men wachten tot het ijs houden kon. Dat was een grote ontspanning: schaatsen rijden, vooral voor de jeugd, maar men zag soms ook wel oude mensen zwieren.

Wordt vervolgd!

Bron(nen): 
Dit is een gedeelte uit het boek 'Hoe het stil werd in de polder'
Baukelien Koopmans-van der Werff schrijft hier over het leven van haar betovergrootvader Jan Hoekman (1859-1949).
In de cursief aangegeven alinea's is Jan Hoekman zelf aan het woord, omdat hij deze tekst naliet in de achttien vol gepende schriften die hij naliet aan zijn nageslacht.
sluiten

Verhaal: Hoe het stil werd in de polder deel 1

Deel 1

Werkzaamheden in de winter rond 1870

In de winter was het rustig op de boerderij. Niet alleen hoefde het land niet te worden bewerkt, wegen en land lagen nu ook vaak onder water, waardoor de boerderij te voet of met paard en wagen onbereikbaar was geworden. De boerenfamilies in de polders Mastenbroek en Kampereiland beleefden dan geïsoleerde periodes. Deze periodes werden onderbroken als koning winter langs kwam, waarbij al schaatsend hun wereld plotseling veel groter werd.
Het winterseizoen op de terp werd nuttig besteed aan onderhoud van de onderkomens en het maken van gereedschappen en andere benodigdheden. Als het donker werd, zat het gezin bij de tafel of de vuurplaat en verrichtte handwerk. Midden op de tafel stond een blikken lampje met katoen en patentolie. Wie er dichtbij zat, kon net genoeg zien om het gaatje in de kous te stoppen. Lezen was ’s avonds dus niet mogelijk.
De vrouwen waren in de weer met het maken en herstellen van kleding en de mannen maakten bijvoorbeeld visnetten, schoenen, laarzen, kerkstoven en mesheften.

Overdag waren ze, behalve met de dagelijkse zaken zoals het verzorgen van het vee, bezig met hout. Bomen werden omgehakt en daarvan werd van alles gemaakt. Boeren die iets minder handig waren, of een klein gezin hadden, huurden ook wel voor een paar dagen een timmerman in.

Men hakte in de hagen een boom om en zaagde en kloofde deze naar gelang men er van maken wou. Hetzij disselboom, een span, evenaar en knuppels, kruiwagen en zeisenbomen, harkebalken enzovoort. Harkestelen waren in het wilgenhout wel te vinden.

Een es werd na het omhakken eerst in de sloot gelegd en pas na een jaar gebruikt. De bast liet dan mooi los. Hier werden vooral ‘bruggebomen’ van gemaakt. Het wilgenhout werd elke vier jaar gehakt. De zwaarste staken gebruikte men bijvoorbeeld voor de koestal. De iets minder dikke takken genaamd vlekenstaken en de dunnere takjes, het vlekenhout, werden verwerkt tot ‘vleken’. De rest van het wilgenhout werd gebruikt als brandhout.

Van de vlekenstaken zette men er elf op een rij, vlocht het vlekenhout erdoor en omheen tot manshoogte, en men had een ‘vleken’. Drie van zulke vlekens en zes bruggebomen, vormden samen een brug, belegd met strooiing deed deze dienst voor alle vervoer van hooi, mest en vee.
Verder plaatste men enige vlekenstaken in een cirkel dicht bij de weide in de hagen en vlocht deze dicht met vlekenhout. Enige staken werden schuin omhoog gezet tot spits en dan belegd met riet wat de sloot wel gaf. Het benedenste deel aan de buitenzijde werd bestreken met koemest en men had een mooi tochtvrij huisje voor de landvarkens. Bedenk eens, alles voor niets! Nu is voor elke stuk land waar het nodig is een vaste brug, en een mooi door de timmerman gemaakt landhuisje voor de varkens, maar dat kost heel wat geld, wat toen bij velen niet was.

Een ander klusje dat werd gedaan, was het maken van touw en zwavelstokjes van hennep.

Hennep groeide aan de noordkant van het huis. Hennep was een plant van meer dan manshoogte, geleek veel op brandnetels. De juiste bereiding weet ik niet meer, ik was nog maar een kind. Als de hennep rijp was sneed of plukte men ze en legde ze in de sloot, naar ik meen om te ‘reuten’, daarna drogen. Dan viel het houterige deel weg en bleven de vezels over, die werden dan gehekeld, dat wil zeggen door een rij tanden getrokken en de hennep was klaar. De touwslager maakte daar voor de boer alle maar benodigde touw van. Een betere soort dan nu veel in de handel is. Van die gebroken stengels heb ik veel aan reepjes helpen snijden en aan bosjes binden. De puntjes doopten we in zwavel. Zo hadden we de beste zwavelstokjes, zoals toen de bedelaars aanboden. Lucifers bestonden niet, wel waskaarsjes maar die waren te duur.

Wordt vervolgd!

Bron(nen): 
Dit is een gedeelte uit het boek 'Hoe het stil werd in de polder'
Baukelien Koopmans-van der Werff schrijft hier over het leven van haar betovergrootvader Jan Hoekman (1859-1949).
In de cursief aangegeven alinea's is Jan Hoekman zelf aan het woord, omdat hij deze tekst naliet in de achttien vol gepende schriften die hij naliet aan zijn nageslacht.
sluiten

Verhaal: Mastenbroek: land van water en gras, koeien en melk.

Als je aan Mastenbroek denkt, zie je gelijk weilanden opdoemen, omringd door water. En op die weilanden koeien, die niet al te waterige melk dienen te leveren. Daarom een citaat waarin de ideale koe staat beschreven: 'De Mastenbroeker koe, zwartbont, niet overgroot, met dun vel, iets wat zwakke achterbenen, wel met een uitstekende uier. Steeds meer melk is het ideaal van den Mastenbroeker boer (citaat uit het landbouwblad geschreven door J.W. Holtland in 1928 ter gelegenheid van de andbouwtentoonstelling Swolland in Zwolle).

Van moedermelk, onontbeerlijk voor de geborene, kan de samenstelling nogal verschillen. Verschil in kwaliteit hadden de verwerkers van koeienmelk - tot boter en kaas - vroeger al heel snel in de gaten. Het eerst werd op het vetgehalte gelet: hoe hoger het percentage vet in de melk hoe meer boter men kon maken (omstreeks 1900 was het gemiddeld circa drie procent). In die tijd ontstonden veel melk-controle-verenigingen die als doel hadden de melkgift van de koeien te controleren op gewicht en vetgehalte. Eenmaal per drie tot vier weken kwam de (melk)monsternemer op het bedrijf en die woog met een unster de kilogrammen melk van de koe. Dan nam hij met een zogeheten monsterschepje een beetje melk en deed dat in een flesje, waarvan de inhoud vervolgens werd onderzocht in een gezamenlijk laboratorium op de samenstelling daarvan.
Dit alles werd bijgehouden in het “melkboekje”. Dat gebeurde heel secuur – want er mochten geen fouten worden gemaakt - allemaal met de hand door de “melkcontroleur”, een officieel beëdigde functie. Elk jaar kreeg de boer een nieuw melkboekje, waarin ook bijzonderheden over de koe stonden, zoals de leeftijd, wanneer tochtig en gekalfd, van de stal in de wei en dergelijke. Dat laatste had een directe invloed op het vetgehalte. In mei is er volop gras en daardoor is meiboter, met een hoger vetgehalte, de beste boter die er is. De smaak is lekkerder dan die van boter uit de staltijd. Door van de betere koeien kalveren aan te houden werd uiteindelijk het vetpercentage verhoogd van drie procent in 1900 tot 3.5 en 4.00 procent en nu zelfs nog hoger. Sinds de jaren ’60 wordt ook het eiwitgehalte onderzocht en uitbetaald door de fabriek.

Een bekende controleur was G.J. Kattenberg van de melkfabriek te 's-Heerenbroek. Hij stond ook wel bekend als de 'snuffelaar', omdat hij 's zomers op maandagmorgen de deksels van de melkbussen trok om aan de inhoud te ruiken. Op zondag werd immers geen melk verwerkt en als de boeren de bussen niet goed koel hadden gehouden kon de melk zuur zijn geworden.

Handmelken was in die tijd gewoon. Een goede handmelker was noodzakelijk op een melkveebedrijf. Met het inhuren van een knecht en/of meid werd er goed op gelet of die wel goed waren in handmelken. Er waren ook handmelkcursussen die werden gehouden op een “voormelkersbedrijf”. Na de cursus volgde een officieel examen en als je slaagde kreeg je een getuigschrift. Van Bernard Reuvekamp is tijdens het examen een foto gemaakt.
Al heel jong werd in een boerengezin spelenderwijs het koeien melken geleerd. Onder de meest gemakkelijk melkende koe leerde je als kind het handmelken.

In de jaren ’50 begon het machinaal melken grote opgang te krijgen. Arbeid werd duurder en met handmelken was je beperkt in het aantal koeien dat je kon melken. Met de machine kon je veel meer koeien per man melken. Maar dat vond niet iedereen direct een goed idee: de critici waren van mening dat de koeien dan uierontsteking zouden krijgen. Maar dit kon worden voorkomen door de koeien 'na te melken'. Als de melkmachine uit was ging men met de emmer onder de koe om te proberen of er nog wat in zat. Op de melkcursus had men immers geleerd 'de laatste drop is de boterknop'. Dit is nog lang zo doorgegaan maar uiteindelijk ging men niet meer na melken en dat ging ook goed. De machines werden steeds beter en men kon meer koeien houden.

Om te melken in de weide werden weidewagens gemaakt: een lange wagen voorzien van buizen en vastzethaken om de koeien vast te zetten. Een benzinemotor dreef de vacuümpomp aan en zo kon men melken in melkketels om vervolgens de melk in de bussen mee te nemen. Ook waren er ronde weidewagens.

Bron(nen): 
Auteur: Bernard Reuvekamp
Foto's: archief Bernard Reuvekamp/website Mastenbroek Toen
sluiten

Verhaal: Het Bosje

Aan de Bosjessteeg, op nummer 4, staat op een terp boerderij Het Bosje. Een beetje het kip en ei-verhaal: Wat was er eerder? Zeker is dat het om een eeuwenoude plek gaat. Waarschijnlijk liepen de monniken van het al lang geleden uit de polder Mastenbroek verdwenen klooster over de Bosjessteeg richting 's-Heerenbroek. Destijds nog over een soort karrenspoor. Later werd de Bosjessteeg een grindpad en nu ligt er vanaf de Zwolseweg tot aan de Kamperwetering een keurig geasfalteerde weg.

Op het erf stond vermoedelijk al vanaf de inpoldering een boerenbedrijf. De huidige bewoner van Het Bosje, Albert Selles (geboren in 1949), kent de geschiedenis tot drie generaties terug. Vanaf de tijd dat zijn opa aan de Bosjessteeg ging boeren.
“Mijn vader, ook Albert geheten (geboren in 1918), kwam hier als negenjarige te wonen toen zijn vader – Mense Selles afkomstig uit 's-Heerenbroek – hier als boer ging werken. Vermoedelijk heeft diens vader de boerderij voor hem gekocht. Voor die tijd was het een pachtboerderij en de laatste pachter was de familie Schoorlemmer.”
Tijdens een bloeiende tijd in de landbouw, zo halverwege de negentiende eeuw, werden er veel nieuwe boerderijen gebouwd en zo ook verrees aan de Bosjessteeg boerderij Het Bosje. Ongeveer een eeuw later brandde de stal af en werd het achterhuis vernieuwd. Het huidige, moderne voorhuis dateert van 1990.
Vader Albert was enig kind, maar zelf kreeg hij zes kinderen: drie jongens en drie meisjes. De oudste zoon trad niet in zijn voetsporen, want hij werd melkrijder. De tweede oudere broer van Albert junior begon in 1972 op nummer 1 aan de Bosjessteeg met een boerenbedrijf, op de plek waar eerder al een knecht in een woonwagen woonde. Dat bedrijf is inmiddels alweer door een neef van Albert overgenomen.
Zus Willy van Unen-Selles, die bij haar broer Albert aan de keukentafel is aangeschoven, heeft met haar man een schapenboerderij in Blankenham. Zij weet dat boerderij Het Bosje ook wel Konings Hofstede werd genoemd. Een koninklijke naam, maar Het Bosje verwijst waarschijnlijk naar het rijshout – de twiegen – die hier op de stevige klei rijkelijk groeiden. Daar was destijds een markt voor, want de twijgen konden voor van alles worden gebruikt.
In de tijd van de familie Schoorlemmer werd er volop aan akkerbouw gedaan, maar het veen kwam steeds lager te liggen en opa Mense ging al van lieverlee over op een gemengd bedrijf met vee. Willy kan zich nog goed herinneren dat er knollen moesten worden geplukt als veevoer voor in de winter. Vader Albert had zo'n veertig stuks vee en zijn zoon kon er in de ligboxenstal zeventig herbergen. “Nu ben ik een beetje aan het afbouwen en heb ik ongeveer de helft”, zegt de 'gepensioneerde' Albert. Hij is niet getrouwd en weet daarom ook niet hoe de opvolging in het bedrijf ooit zal lopen. Maar tot op heden komt twee- tot driemaal per week bij boerderij Het Bosje de melkwagen aan om de melk naar de fabriek in Dalfsen te brengen.
Vroeger was de familie voor de handel op andere plaatsen georiënteerd. Albert en Willy weten nog goed dat oma op maandagmorgen naar de markt in Kampen ging om eieren te verkopen en ook zelf inkopen te doen. Opa ging op vrijdag naar de koeienmarkt in Zwolle. De kerk werd bezocht in Wilsum en de lagere school in 's-Heerenbroek. Voor het onderwijs aan de landbouwschool ging Albert op de fiets naar IJsselmuiden.
Omdat het gezin Selles als enige woonde aan de Bosjessteeg duurde het heel lang voordat allerlei moderne voorzieningen boerderij Het Bosje bereikten. Albert kan zich nog goed herinneren dat hij onder de olielamp zat te leren. Omdat hij de pit voor het licht goed opdraaide, kon het gebeuren dat hij ineens zwarte vlokken op zijn boeken zag neerdalen. Zijn moeder vond dat roeten minder geslaagd. “Het eerste kregen we telefoon”, weet Willy. “Dat lukte gemakkelijk omdat het maar een dunne draad betrof. Moeilijker werd het al voor de waterleiding.” Albert ziet nog de hele rij mannen voor ogen die vanaf de Zwolseweg dwars door het land heen de sleuven aan het graven waren.
Voor de energie plaatste vader Albert een soort voorloper van de huidige windmolen, maar dat werd geen succes omdat de destijds gebruikte accu's niet van voldoende kwaliteit waren. Pas aan het eind van de zestiger jaren kreeg het gezin elektriciteit.
Al voor de officiële ruilverkaveling gingen de boeren in de omgeving van Het Bosje zelf onderling aan de slag. Door de aanleg van de spoorlijn Kampen-Zwolle was over het spoor een 'tippie' (een soort driehoekje) ontstaan en van dat hoekje werd de familie Selles verlost. Bovendien kon na de superheffing nog grond worden bijgekocht.
Vader Albert was lid van het bestuur van het waterschap, maar in die functie is Albert junior hem niet opgevolgd. Wel ging hij een aantal dagen per jaar met anderen samen een schouw verrichten. Na de ruilverkaveling heeft hij op de nieuw geplaatste boerderijen nog meer buren aan de Bosjessteeg gekregen, maar als bewoner van Het Bosje heeft hij toch wel zeer 'oude rechten'.

Bron(nen): 
Bronnen: A. Selles en W. van Unen-Selles
Auteur: Rita Ras-van Elst
sluiten

Verhaal: Met de rijdende winkel door Mastenbroek

“Een mooie wijk, ik mocht er graag venten.” Zo kijkt Harm Winter terug op de tijd dat hij met zijn rijdende winkel de polder Mastenbroek doorkruiste. Toch plaatst hij direct een kritische kanttekening bij die arbeidsvreugde: “Voor de ruilverkaveling was het niet leuk om er te werken. Toen ik begon in 1962 was het een gesloten gebied. Rond iedere boerderij hing een zekere stilte. Ik kwam ook niet verder dan de voordeur. Dat veranderde toen de ruilverkaveling kwam. Daarmee werd Mastenbroek heel anders, alles werd veel losser. Daarna heb ik vaak aan keukentafels gezeten.”

Oorspronkelijk leek het er helemaal niet op dat Harm Winter, geboren in 1937 te Genemuiden, zijn werkzame leven zou eindigen als de man die ook in Mastenbroek zijn waren huis aan huis bezorgde. Hij werd opgeleid tot typograaf (boekdrukker, letterzetter) en vond zijn eerste baan bij drukker Hoekman in zijn eigen woonplaats. Om zich verder te specialiseren – hij wilde ontwerper worden – ging hij later naar drukkerij Sijthof in Leiden. Daarna volgde werk in Meppel, waar hij ook een woning kon krijgen. En die kon hij betrekken met zijn bruid: bakkersdochter Jannie Roetman van de Kamperzeedijk. Door dat huwelijk zou ook de loopbaan van typograaf Winter veranderen. “Mijn schoonvader wilde zijn zaak verkopen en ik dacht eens na over mijn werk. Al dat binnen zitten zag ik mij tot aan mijn pensioen niet volhouden. Daarom besloot ik om samen met mijn vrouw het bedrijf voort te zetten. Zij stond in de winkel en ik ging bezorgen.”
De opa van Jannie was in 1901 met de bakkerij begonnen. Destijds nog op nummer 111 aan de Kamperzeedijk. In die tijd hadden de schuren tussen de huizen ook een eigen nummer. Later verdween dat en kreeg de kruidenier/bakkerij Roetman het huisnummer 77. De beginnende ondernemer, Harm was toen 25 jaar, weet nog goed dat de verdiensten niet groot waren. “Er was veel concurrentie. De polder Mastenbroek werd bezocht door maar liefst veertien bakkers. Die kwamen uit Hasselt, Genemuiden, IJsselmuiden, 's-Heerenbroek, Westenholte en Zwolle.”
Maar ondanks dat hij wel zeventig uur per week aan het werk was, genoot Winter van zijn nieuwe bestaan. “Ik was buiten en de klantenbinding vond ik heel mooi.” Behalve in Mastenbroek kwam hij ook met zijn rijdende winkel in de Mandjeswaard, de Koekoek en de Pieper. En natuurlijk aan de Kamperzeedijk, waar hij zelf woonde, en nog eens op donderdag- en vrijdagavond in zijn geboorteplaats Genemuiden.

Folders
“Mastenbroek was een fijne wijk, ook voor de verkoop”, blikt de man van de winkel aan huis terug. Hij is trouwens het levende bewijs van het feit dat alles wat een mens leert in zijn verdere leven altijd van pas kan komen. “Het typografenvak is een scheppend vak en dat kon ik later goed gebruiken om te adverteren door folders uit te geven.”
Op maandag en dinsdag bezocht hij zijn klanten aan de Oude Wetering, Nieuwe Wetering en Bisschopswetering. “Het was een druk bestaan: bij iedere klant wist ik precies hoe laat het was”, kijkt de bezorger terug op zijn strak ingedeelde werkschema. Daar kwam in 1996 evenwel een eind aan toen Harm Winter werd afgekeurd vanwege de gevolgen van de ziekte van Ménière (aanvallen van hevige draaiduizeligheid, gepaard gaande met oorsuizen, misselijkheid en hardhorendheid, red.). Hij herstelde gelukkig wel, maar hield er een doof oor aan over. Zijn bedrijf deed hij over aan de nog jonge Jan Beens uit IJsselmuiden. Nu toert Wilco van Dijk rond met de rijdende winkel.
Overigens heeft de voormalige bezorger van de waren aan huis drie voertuigen 'versleten'.

In die tijd maakte hij vanzelfsprekend veel mee. Met de boeren en boerinnen in de polder Mastenbroek deelde hij lief en leed. Hij wil er niet te veel over uitweiden: de verhalen daarover behoren wat hem betreft tot zijn beroepsgeheim. Wel legde hij een en ander van de polder vast door het maken van foto's. Zoals een keukenstoel op het ijs: de foto van die stoel heeft hij nog wel, maar de schaatsenrijder die hem gebruikte staat er niet bij. Die wilde zelf niet op de foto.
Ook heeft hij het interieur van zijn winkelwagen vastgelegd toen mevrouw Van Ittersum van De Drie Bruggen haar inkopen bij hem deed. “Zij was de laatste vrouw die nog met een gouden kap op naar de kerk ging”, herinnert hij zich de periode die is voorbij gegaan. “Omdat zij nog graag zelf de boodschappen wilde halen heb ik speciaal voor haar nog een opstapje voor de wagen gemaakt.”

Na zijn pensionering verhuisden Harm en zijn vrouw naar hun huidige appartement in Genemuiden. Daar kan hij nog na grinniken om een geintje dat hij tijdens zijn werkzame leven uithaalde met een klant in Mastenbroek. Toen hij de boerderij naderde stak hij een sigaret die hij even daarvoor al in de brand had gezet zogenaamd aan met een kleine plastic zaklantaarn. Tegen de toekijkende boer zei hij dat het iets nieuws was: een aansteker met een zoeklicht tegelijk. Op de vraag wat die nieuwigheid moest kosten, deed hij het zaklantaarntje voor 1,98 gulden van de hand.
Die ruil was echter voor korte duur: de volgende week kwam de boer met de klacht dat het ding het niet deed. “Geef maar weer terug”, zei Harm Winter goeiig.

Bron(nen): 
Bron: Harm Winter
Foto's: Harm Winter
Auteur: Rita Ras
sluiten

Verhaal: Kerstmis

Kerstmis is het feest van licht in de duisternis. Niet gemakkelijk voor te stellen tegenwoordig, maar in mijn jeugd, zo’n zeventig jaar geleden, was dit heel duidelijk te zien. Wij moesten ons behelpen zonder elektriciteit, waardoor alles maar matig was verlicht. Vooral in de donkere dagen voor dit grote feest. Op Kerstmorgen kwam hier duidelijk verandering in, want dan werden er extra kaarsen voor de dag gehaald, om ook de kerstkribbe in ’t volle licht te zetten. Moe wekte de kinderen die nog warm tussen de vochtige dekens lagen te snurken en stuurde hen naar de koude pomp op de deel om de slaap uit hun ogen te wassen. Wij hoorden daar duidelijk waar Va gehaast de koeien aan ’t melken was. Hij moest opschieten om op tijd in de Nachtmis te komen. Hij moest zijn beste pak nog aantrekken, het paard uit de stal halen, de lantaarns op de ‘tentwagen’ aansteken, enzovoort. Eten was er niet bij, want hij moest ‘ter communie’, dus nuchter blijven.

Soms konden wij meerijden met de buren die een wat duurdere en meer comfortabele ‘brik’ hadden om ons naar de kerk te vervoeren. Wij vonden dit niet zo geweldig vanwege de naar kamfer geurende oude buurvrouw. Zij had, om het feest extra luister bij te zetten, haar beste krakende kleren en Saksische hoofdtooi uit de kast opgediept en zat daar dan, in kamfergeuren gehuld en zonder een woord te uiten, naast ons in de wagen met haar voeten op een rokende turfstoof geplant. Je kon alleen maar een klein stukje zien van de donkere, smalle dijk als we zo rond vijf uur in de vroege morgen op de lichtjes van ’t verre Hasselt afdraafden.

Bij de kerk aangekomen, werden wij geloosd, waarna Va wegreed om het paard ergens te stallen. De geuren van brandende kaarsen, stoven met smeulende turf, wierook, kamferballen, en goedkope eau de cologne sloegen je tegen het lijf als je de kerk binnenkwam. De kribbe stond al in volle glorie te wachten op de gelovigen om een kaars op te steken. De vrouwen moesten links en de mannen rechts in de banken zitten, staan of knielen. Bijna iedereen had daar een vaste plaats, waarvoor ieder jaar een bijdrage moest worden betaald. Het duurde meestal niet lang voordat Va al prevelend en met de rozenkrans in zijn koude bevende handen, door al de vermoeienissen in slaap sukkelde. Even ontwaakte hij dan bij het begin van de speciale Kerstpreek, maar tegen de tijd dat de pastoor probeerde duidelijk te maken dat de wereld maar slecht en zondig was, was hij meestal alweer vertrokken.

Ik heb nooit begrepen of Va zich ook maar enigszins schuldig voelde als de pastoor stond te verkondigen dat wij eigenlijk allemaal heel wat fouten op ons geweten hadden en Jezus zich genoodzaakt had gevoeld om op Kerstmis naar de aarde te komen om ons uit de brand te helpen. De nadruk werd altijd gelegd op de noodzaak om vooral ‘kuis’ te leven, op het afschuwelijke van onreine gedachten, handelingen en verlangens. Vermaningen die het leven (vooral ’s nachts tussen de vochtige dekens) voor veel godvrezende toehoorders niet gemakkelijker maakten.

Het gebruik was dat je na de Nachtmis bleef zitten. De organist begon dan kerstliedjes te spelen die door de gelovigen uit volle borst werden meegezongen. Va was dan wat bijgeslapen en liet zich niet onbetuigd. Voor ons was het overduidelijk dat dit voor hem het hoogtepunt van de mis betekende. Intussen (waarschijnlijk om tijd te besparen, want de gelovigen begonnen behoorlijk hongerig te worden) begon de ‘Dageraadsmis’ al, die in stilte en in vliegende vaart werd ‘gelezen’. Hierna volgde de ‘Dagmis’, maar deze werd alleen nog maar bijgewoond door enkele bijzonder vrome zielen die niet van ophouden wisten, aangevuld met enkele vers aangekomen gelovige langslapers, die kennelijk geen behoefte hadden aan gepreek en gezang. Va had er tegen die tijd wel goed genoeg van en spoorde ons aan om zo vlug mogelijk de benen te nemen.

Thuis aangekomen stookten we de kachel op om onze verkleumde ledematen te warmen en Moe dekte intussen verwonderlijk snel de tafel. Voordat we aanvielen om onze hongerige magen te vullen, moesten we echter opnieuw bidden, maar dan was ’t toch eindelijk echt feest voor ons. Ook omdat Moe dan jarig was. Haar verjaardag werd op 2e Kerstdag nog eens extra gevierd met een feestelijke maaltijd. Meestal waren ook enkele ooms en tantes dan van de partij, maar die kwamen alleen maar als ’t goed weer was en zij zonder problemen over de dijk konden fietsen. Bij deze bijzondere gelegenheid kwam er altijd ‘sterke drank’ op tafel en Va mocht dan met instemming van Moe de jenever en brandewijn voor de dag halen. De vrouwen vergenoegden zich met advocaat, ‘boerenjongens’ en slappe zoete wijn. De stemming was dan meestal erg opgewekt. Ook al door de humoristische grappen en grollen van vooral ome Kees en ome Jans, die af en toe op de vingers werden getikt door Moe of één van de tantes, die dan waarschijnlijk nog erg sterk onder de indruk waren van de ernstige vermaningen van ‘meneer’ pastoor. Bij Va was hiervan maar weinig blijven hangen. Hij geloofde het wel!

Bron(nen): 
Verhaal: Frans van de Vegte
sluiten

Verhaal: De Prins - Nieuwe Wetering 35

Kees Post, getrouwd met Petertje Hulleman, liet in 1941 aan de Nieuwe Wetering 35 boerderij De Prins bouwen. De boerderij werd niet meer op een terp gebouwd, zoals gebruikelijk was in de polder om panden bescherming te bieden tegen overstromingen.

Aan het eind van de Tweede Wereldoorlog, toen de polder door de Duitsers onder water was gezet, was er spanning of het water ook in de gebouwen door zou dringen. Of dat ook werkelijk is gebeurd, is niet meer te achterhalen. De meningen en herinneringen zijn hierover verdeeld. Tijdens een wolkbreuk in juni 1996 steeg het water nog een keer tot halverwege het gazon en dat vonden de huidige bewoners al hoog genoeg!
In 1941 verhuisde het echtpaar Post-Hulleman met hun twee ongetrouwde zonen Hendrik en Willem van Nieuwe Wetering 33 naar de nieuwe boerderij op nummer 35.
Nadat de ouders van Hendrik en Willem waren overleden bleven de zonen daar wonen. Willem werkte het meest in de huishouding en Hendrik hield meer van het landwerk.
De beide broers hadden verder alleen maar zusters.
Later erfde een dochter van een van hun zusters de in 1941 gebouwde boerderij. Zij bood een van haar neven die op een heel oude boerderij aan de Nieuwe Wetering woonde de mogelijkheid om te ruilen.
Zodoende kwam Kees Meuleman die gehuwd was met Gé van de Wal op de boerderij van de gebroeders Post te wonen. Zijn oude ingeruilde boerderij werd afgebroken maar is een unieke ruïne geworden waar nu de bron van L’ essence de Mastenbroek is ondergebracht. Nadat Kees Meuleman was overleden heeft zijn vrouw Gé de boerderij in augustus 1978 verkocht aan de familie Van der Steege.
Zo hebben meerdere families hier gewoond en hebben er véél veranderingen plaats gevonden. De broers Hendrik en Willem Post weidden hoofdzakelijk koeien voor de slacht, zogenoemde vetweiderij. Kees Meuleman en zijn vrouw hadden er een melkveebedrijf en de huidige bewoners hebben een melkveebedrijf met moderne ligboxenstal.

Bron(nen): 
Auteur: Hannie Knol-van de Vegte
Bronnen: Wim Blankvoort, Gerrie v.d. Weerd, Jan v.d. Steege, Arnold van Ittersum en Kees Kok
Hoort bij locatie: 
sluiten

Verhaal: De tramlijn door Mastenbroek

Klaas de Boer las in oktober 2007 het artikel Spoorzoeken naar oude tramlijn. Het stuk over de tram die tussen Zwolle en Blokzijl dienst deed, bracht ook De Boer tot spoorzoeken. Hij herinnerde zich een oude foto waarop zijn schoonmoeder als jong meisje staat afgebeeld met de tram op de achtergrond. Na een zoektocht vond De Boer de foto waarop de tram te zien is, rijdend door het Mastenbroeker land richting Zwolle. De foto is waarschijnlijk in de jaren '20 gemaakt.

De plaat, geschoten ter hoogte van Ruimzicht, is bijzonder omdat de tram slechts 20 jaar heeft gereden. De tramlijn lag tussen Hasselt en Zwolle deels op het tracé van de huidige N331.

Het meisje rechts is Hendrikje van Milgen, de schoonmoeder van De Boer. Haar broertje Egbert staat ernaast. Hendrikje van Milgen, geboren in 1920, weet zich het moment nog wel te herinneren. Haar oom Berend Jan, 'ome Bé', was de fotograaf. Als kind was het een spektakel als de tram passeerde. Op de foto is de rookpluim nog te zien van de locomotief die soms bij Ruimzicht stopte om vee in te laden.

De tramlijn is door busonderneming Noordwesthoek na 1934 vervangen door bussen.

Bron(nen): 
Bron: artikel Zwartewaterland Toen en Nu door Bas Jansen (Stadskoerier 17 oktober 2007).
Foto: Klaas de Boer, Frederika de Boer-Nijboer
Hoort bij locatie: 
sluiten

Verhaal: De laatste burgemeester van Zwollerkerspel

Mr. Willem Jacob Elias Crommelin en zijn vrouw Pauline Renée van de Poll en hun kinderen namen in 1963 hun intrek in de buitenplaats Boschwijk in Wijthem.
Mr. Crommelin werd op 7 februari 1963 geïnstalleerd als laatste burgemeester van de gemeente Zwollerkerspel. Boschwijk was de ambtswoning van de burgemeester en in een van de vleugels werd de raadszaal ondergebracht. Eén van de zonen kan zich nog herinneren dat tijdens raadsvergaderingen de klompen bij de kapstok stonden, er glaasjes sigaren op tafel stonden en dat in de loop van de avond de raadszaal in een dikke blauwe walm werd gehuld.

De gemeente Zwollerkerspel bestond destijds uit de dorpen en buurschappen Berkum, Cellemuiden, Frankhuis, Genne, Haerst, Harculo, Herfte, Hoog- en Laag-Zuthem, Ittersum, Langenholte, Oldeneel, Schelle, Spoolde, Streukel, Voorst, Westenholte, Windesheim, Wijthmen, Zalné en Mastenbroek.
Op 1 augustus 1967 werd de gemeente Zwollerkerspel opgegeven en verdeeld over de volgende gemeenten: Genemuiden (1050 hectare – 92 personen), Hasselt (4013 hectare – 1080 personen), Heino (213 hectare – 183 personen), IJsselmuiden (1369 hectare – 403 personen) en Zwolle (7866 hectare – 12857 personen).

Voor de installatie van de burgemeester werden inwoners van de buurschappen uitgenodigd. De basisschool in Mastenbroek had ook een uitnodiging gekregen, en er werd geloot welke kinderen er naartoe mochten. Een groep inwoners van Mastenbroek gaf acte de présence in klederdracht. Daarvan werden deze twee prachtige foto’s gemaakt. Mocht u de ontbrekende namen weten, of denkt u dat er een andere naam bij een persoon hoort, wilt u dat dan aan ons doorgeven? Alvast bedankt!

Bron(nen): 
Tekst: Berendien Duitman
Foto's: archief familie Van Gerner, Ger Dekkers (uit Zwollerskerspel rond)
Bronnen: Wikipedia, www.crommelin.org, Hannie Knol

Pagina's

Subscribe to RSS - het dagelijkse leven