sluiten

Verhaal: Gedachten over de Polder Mastenbroek deel 6

Gedachten over de polder Mastenbroek

Oud Mastenbroeker Cor Kok (hij woonde bij de Boxem) reist aan de hand van zijn herinneringen door de polder Mastenbroek. Omdat hij veel te vertellen heeft wordt zijn verhaal in een paar afleveringen geplaatst.

Postbodes
De postbodes in de polder hadden het vroeger zwaar, zeker bij sneeuw of harde wind. In de strenge winter van 1962-1963 kwam een postbode bij ons aan in de Boxem en had de hele polder nog voor zich maar hij was al net een sneeuwpop. Mijn moeder nodigde de man in de keuken en zette hem voor het fornuis. Ze deed de klep van de oven los – het was een ouderwets fornuis dus de oven was goed warm – en zei tegen de postbode: zet de schoenen maar op de klep. Maar de man stak de schoenen met de voeten erin en even later krulden de rookwolken door de keuken. De schoenen met de oude spekzolen stonden door de hitte bijna in de brand. De postbode is een uurtje later weer vertrokken richting Zwolle, want de wegen waren onbegaanbaar.
Bij oude postbodes zoals Jaap Esselink ging het anders: hij kwam ook in de keuken want brievenbussen waren er nog niet. Jaap vroeg aan mijn moeder; ‘Mag ik nog een brief boven de waterketel houden want ik moet hem losmaken want ik weet niet voor wie die is.’ Van Ittersum Mastenbroek, meer stond er niet op. Jaap kreeg hem los en riep beste Jan en Jantien, ik geloof dat hij zei van Nieuwe Wetering 22.
Nou verder aan de Bisschopswetering de boerderij van Van de Leeuw, daarvoor Harm Boer, en dan de directeurswoning van de zuivelfabriek en de fabriek. Op de hoek Bisschopswetering-Breesteeg stonden twee huizen, vroeger bewoond door vier families nu twee.

Drie bruggen
Bij de drie bruggen staan minder huizen dan bij de kerk en de Boxem. Visscher transport van grond en kranen is voor Mastenbroek een groot bedrijf. Daar tegenover staan twee mooie grote boerderijen van Pelleboer en Van de Weerd. De boerderij van Van de Weerd is waarschijnlijk later gebouwd, heeft een heel andere stijl en geen hoge terp. De laatste rechts was van de familie Wup. Verder richting de Koekoekspolder de boerderij van Sellis, met de naam Arbeid Adelt, maar men weet: adel arbeid niet.

Melkrijders
Ik wil nog opmerken dat in Westenholte veel melkrijders woonden, vaak kleinere boeren die daarnaast de melkbussen van andere boeren uit de Mastenbroekerpolder naar de fabriek brachten. Ze brachten dan vaak wei afvalproduct weer mee voor het jongvee. Eerst gebeurde dit met paarden, later met tractoren.
Bruins had de melkwagen in de zomer aan de Oude Wetering staan tussen de Boxum en Bernard Reuvekamp in het land. Als de wagen praten kon zou hij heel wat romantische verhalen kunnen vertellen. Niemeijer kwam dacht ik uit Spoolde. Die had het weiland naast Bernard Reuvekamp zijn landweg aan de zuidkant. Dan waren er nog Nijs en Peters uit Westenholte en Derk Bos uit ’s Heerenbroek.
Anton Jacobs die zelf ook koeien had en een boel varkens, voerde afval van de Chinees en andere afval aan de varkens. Daarom zei ik een keer tegen Anton: je voert ze mooi goedkoop. Vond hij zelf ook: ‘Maar je moet wel uitkijken want vorige week stikte me zowat een varken in een kunstgebit.’
Vroeger, zo in de jaren twintig van de vorige eeuw, werd in de polder ook hooi verkocht. De hooibergen zijn nu meest weg of allemaal. Maar er werd in die tijd vaak een halve hooiberg vol hooi verkocht. Vaak ging het met boten naar Friesland.
Tot slot nog enkele namen van percelen weiland, vaak een naam van de vorige eigenaar: de Prikhoed was een stuk weiland vlakbij de Milligersteeg. De naam komt van een makelaar met een hoedje op, de Wattenbos was van Kattenberg, en op Twijgaard zal wel lang twijg verbouwd zijn.

Cor Kok.

Dit is tevens het laatste deel.

Bron(nen): 
Door Cor Kok wonende aan de Boxem
sluiten

Verhaal: Gedachten over de Polder Mastenbroek deel 5

Gedachten over de polder Mastenbroek

Oud Mastenbroeker Cor Kok (hij woonde bij de Boxem) reist aan de hand van zijn herinneringen door de polder Mastenbroek. Omdat hij veel te vertellen heeft wordt zijn verhaal in een paar afleveringen geplaatst.

Zuivelfabriek
Vroeger was er ook een wissel op het spoor: dan kreeg de zuivelfabriek steenkolen. Mijn buurvrouw stond dan vanaf de Boxum te kijken of de trein ook stopte, want dan moest haar man Derk van de Brink met zijn zwager De Keizer uit ’s Heerenbroek de wagen leeg rijden en bij de zuivelfabriek in de kelder storten. Ongeveer in 1955 schakelde men over op olie.
Over het spoor rechts eerst de familie Pelleboer, een heel oude boerderij op een terp, dan de familie Van de Wal en als laatste rechts woonde Van de Kolk met schoonzoon Koersen, deze zijn verhuisd naar de Bosjessteeg.
Links woonden vroeger Siebrand, Hulsebos en Kattenberg..
En het laatste huis voor de fabriek was van Jan Esselink met z’n Gerrigje. Jan was werkzaam bij het Waterschap Mastenbroek.
Siebrand was zondags ook koetsier met de kerkwagen. De wagen stalde hij bij het gebouw aan de weg Zwolle-Kampen.
Hij spande zondagsmorgens een paard voor de kerkwagen en wie zelf niet kon fietsen of geen paard en later een auto had die reed met Siebrand naar Mastenbroek naar de kerk.
We staan nu aan de Bisschopswetering, genoemd naar bisschop Jan van Arkel. Jammer dat wij in de polder geen Jan van Arkelsteeg hebben. Nu is er geen boerderij meer maar tegenover de fabriek aan de andere kant naar de Wetering stond een boerderij. Op het laatst bewoond door de familie Knol met twee vospaarden.
Maar achter de huizen rechts liep ook een steeg: de Proemensteeg. De huisjes waren niet groot, meestal met een klein schuurtje of stalletje en een enkele bewoner had vee.
Derk Kolk had geloof ik ook een hooiberg.
Tegenover de Bisschopswetering lag café De Kroon. Rechtsaf richting Kampen stond boerderij of café de Oranjeboom, dus in een klein dorpje twee cafés.

Links de Schoolsteeg – gelukkig weer een steeg – maar geen school te zien of misschien lang geleden. Daar achter aan de dijk naar Kampen woonde H. Stoel, volgens mij een vrijgezelle boer. De man kwam in de herfst met een wagen met kool, witte en rooie. De boeren in de polder kochten ze: de rooie kolen hing men op aan de steel of legde men op een koele droge vorstvrije plaats, de witte kool verwerkte men tot zuurkool in de Keulse potten.
Aan de Bisschopwetering-Proemensteeg woonde een vrouw die had een koolschaaf: een soort sjoelbak met een mes in het midden en door de kool steeds heen en weer te doen kreeg ze reepjes. Sommigen vonden dit te fijn en deden dat met de hand.
In 1974 wilde een man zelf zuurkool maken en vroeg mijn moeder om het recept. Een paar maanden later vroeg ik de man hoe de zuurkool was. Zijn antwoord: ‘Het schuim komt boven de kelder uit.’ Mijn moeder heeft toen verteld dat hij de pot elke week schoon moest maken en er een schone doek op moest doen, ja dat ging dus ook niet vanzelf.
Maar wij gaan weer naar De Kroon, de geboorteplek van weerman Pelleboer. Vooraan de Bisschopswetering smederij Timmerman, dit was vroeger de lagere school (later aan de overkant van de weg Zwolle-Kampen de christelijke lagere school Juliana). Het volgende huis was van H. Pelleboer, jaren lang kalf verkoper in de polder. Daarvoor woonde er een Bosscha, de timmerman en dan kwam de kruidenierswinkel van Lindeboom met ook nog de verkoop van klompen, vishengels en verf en tevens PTT: post telegraaf telefoon.
Ook in de polder bij de kerk was een PTT station. Welke van de twee zullen we maar niet vertellen maar het verhaal is dat er een telegram vanuit het westen van Nederland verstuurd werd met de boodschap dat er een echtpaar een weekje naar de polder kwam en dat ze de volgende dag zouden arriveren.
Het echtpaar van het postkantoor overlegde over de bezorging van het telegram, want het was wel een heel eind fietsen. ‘We zeggen het wel tegen de melkrijder.’ Bij navraag ’s avonds bleek dat er geen melkrijder was gezien. ‘Nou morgenvroeg kan het ook nog wel want die mensen uit het westen zijn toch niet zo vroeg.’
Maar ’s morgens tegen een uur of elf zei de man tegen de vrouw: ‘Heb je de melkrijder ook gezegd van het telegram?’ Bleek de melkrijder weer niet langs te zijn gekomen. De man stapte alsnog op de fiets, maar toen hij op het betreffende adres arriveerde zat de familie uit het westen al genoeglijk aan de koffie. De man heeft het telegram afgegeven en klaagde later bij zijn vrouw dat hij niet eens een fooi of een bedankje had gekregen.

Bron(nen): 
Door Cor Kok wonende aan de Boxem
sluiten

Verhaal: Gedachten over de Polder Mastenbroek deel 4

Gedachten over de polder Mastenbroek

Oud Mastenbroeker Cor Kok (hij woonde bij de Boxem) reist aan de hand van zijn herinneringen door de polder Mastenbroek. Omdat hij veel te vertellen heeft wordt zijn verhaal in een paar afleveringen geplaatst.

Wonen in het land, het veld of in het bos
Verder naar het zuiden weer een boerderij in het land. De familie Reuvekamp woonde in ’t land. De familie Knol woonde in ’t veld en een andere familie woonde weer in ’t bos. Ik denk dat daar veel twijg is verbouwd. Er waren meer van deze plaatsen, vaak lage grond met veel greppels. Daar is nu niets meer van te zien.

Ruimzicht
Verder zuidwaarts via de Milligersteeg kom je bij boerderij Ruimzicht. Deze statige boerderij zal in de loop van de tijd wel veranderd zijn, vooral toen de tramlijn en later de Werkerlaan er vlak langs liepen. Voordat hier de familie Van Gerner woonde werd Ruimzicht bewoond door de familie Van ’t Spijker.
In februari 1825 stormde het heel hard, zo hard dat Van ’t Spijker tegen zijn vrouw zei: ‘Ik haal mijn zus en zwager op want ik vertrouw het niet meer zo hard waait het, wij zitten hier veel hoger dan hun.’
Van ’t Spijker spant met de knecht twee paarden voor de wagen en rijdt de Milligersteeg in. Voorbij boerderij Milligen staat nog een huis. Harm Landman heeft er gewoond en daarvoor Bart Esselink met Geertien. Bart is ongeveer in 1930 overleden en z’n vrouw – die zullen oud Mastebroekers nog wel hebben gekend – in 1954. Maar hiervoor, in 1825, woonden er Willem Aalberts met z’n vrouw (een Van ’t Spijker) en kinderen. Van ’t Spijker kwam hieraan en nam z’n zus en de kinderen mee naar Ruimzicht. Aalberts zei: ‘Ik loop naar de familie Kok aan de Boxum.’ Dit was maar een paar honderd meter, maar Aalberts komt niet zover: het water stijgt zo hard dat hij omkeert naar zijn huis. Hij gaat op het dak van de hooiberg zitten en drijft naar Dieze. Daar is hij verdronken en zijn lichaam is in maart in Dieze gevonden.
Dit verhaal staat in een boek van de watersnoodramp 1825.
De familie Van ’t Spijker gaat met de paarden voor de wagen richting Milligen maar het water komt zo hard aanstromen met grote bevroren schuimkoppen dat de paarden niet meer kunnen lopen en dus moeten zwemmen. En dan achter de boerderij aan land want aan de Milligersteeg kant stond het vol met bomen struikgewas. De paarden met de wagen gaan drijvend en zwemmend rond de boerderij, komen dan op de terp of huisbelt en zijn daar behouden aangekomen.
Het water steeg tot in de stal, maar de paarden van de familie Van ’t Spijker en Van Milligen zijn niet verdronken.

Hooien
De Milligersteeg werd vroeger bijna vooral aan de zuidkant bewerkt door boeren uit de omgeving, zo’n stuk of vijfentwintig. Half juni als het hooien begonnen was en de hele week mooi weer dan was het zaterdag tegen de avond net een colonne: allemaal vrachten met hooi en niet te breed anders konden men niet tussen de muurtjes door aan de Boxem. Het waren vooral boeren uit Spoolde, Westenholte, ’s Heerenbroek en Harculo.
En bij de tweede snede werden er vaak koeien in gedaan en stonden er ik weet niet hoeveel melkbussen aan de weg. De boeren lieten de melk staan en dan op de fiets naar huis.
Later werden dat tractors en auto’s. En die werden gebracht en weer opgehaald. ’s Winters was er niks maar ’s zomers was het een drukte van belang. Met een asfaltweg is de weg goed verbeterd na Milligen, maar bij Milligen – met die bochten – ging er wel eens een auto in de sloot of tegen een wilg.

Weg met dat bord!
We gaan nu de Zandsteeg in of – mensen wat een schrik – de Ruimzichtweg. Maak er dan liever de Ruimzichtsteeg van.
Een weg heb je in het dorp Mastenbroek. Verder zijn er stegen en weteringen, dus weg met dat bord.
Vroeger was de Werkerlaan er niet en kwam men vanuit Genemuiden, Hasselt en Zwartsluis hier langs de dijk. Ook met de trekschuit, paard voor een boot. Achter de boerderij van Put was vroeger zelfs een aanlegsteiger.

We gaan verder bij de Scholtensteeg hoek Breesteeg. Vroeger stond hier geen boerderij. Vanaf plusminus 1980 woonden hier Van Laar en Wolters en daarvoor Van de Steege.
Dan de weg Zwolle-Kampen over naar de dijk, genaamd Zalkerdijk, aan het eind richting ’s Heerenbroek. Bij de familie Noordman was vroeger ook een soort veerpont, een veerpad is er nog. We beginnen maar weer bij de Breesteeg: de eerste boerderij links is door de familie Boer gebouwd in 1935. En dan komen we bij het station Mastenbroek, maar sorry: weg station.

Wordt vervolgd!

Bron(nen): 
Door Cor Kok wonende aan de Boxem
sluiten

Verhaal: Gedachten over de Polder Mastenbroek deel 3

Gedachten over de polder Mastenbroek

Oud Mastenbroeker Cor Kok (hij woonde bij de Boxem) reist aan de hand van zijn herinneringen door de polder Mastenbroek. Omdat hij veel te vertellen heeft wordt zijn verhaal in een paar afleveringen geplaatst.

Avonturen met vee

Er waren meer avonturen met vee: ‘Mijn vader kwam met twee varkens van Van Dam, de al eerder genoemde ‘beerboer’, richting de Boxem. Bij het laatste stuk gingen de varkens (het was winter) op het ijs lopen. Maar het ijs was nog niet sterk genoeg dus zakten ze erdoor, ze zwommen verder. Bij Van de Weerd waren ze aan het koffie drinken. Hun knecht Freek Kok uit Wilsum sloeg een gat in het ijs en daar aangekomen klauterden de varkens met wat hulp de wal op. Het eind van het verhaal is: ze waren alle twee drachtig en kregen een mooie toom biggen.’

Stormvloed
Vanaf de Boxem gaan we nu een eindje verder de Oude Wetering op. Of eigenlijk een heel stuk verder want de nummers 10 en 12 waren er vroeger niet. Het begon bij 14 en tegenover 14 stond ook een boerderij. Of beter gezegd heeft vroeger een boerderij gestaan, de huisstee van Blankvoort.
De boerderij die hier heeft gestaan is met een stormvloed weg gespoeld, misschien wel in 1825 maar ik heb het niet opgezocht of navraag naar gedaan.
Verderop links op een boerderij in het land woonde vroeger Berend Knol, thans de familie Stoel. Vroeger had men het overigens nooit over ‘in het land’ maar sprak men over ‘in het veld’.
Nou komen we bij de kerk, maar eerst nog links de boerderij Kruisvliet. De brug over naar de school was direct links de meesters woning. Nu staat het ruimer uit elkaar met het Trefpunt ertussen en dan de kerk met de pastorie.
Het veldje of weitje voor Wielinks houthandel was de wei voor het paard van de dominee is mij verteld. Paard en wagen was het vervoermiddel en daarom stond er ook een paardenschuur in de buurt van de huidige smederij Van de Berg.
Het verhaal wil dat er op een zondagmiddag dienst in de kerk was maar de dominee uit een andere gemeente was nog niet gearriveerd. Mobieltje waren er nog niet dus begon men maar psalmen te zingen en ja daar kwam de dominee de kerk in. Hij ging de kansel op en gaf als excuus: ‘Ik ben gekomen met een kreupele knol van Knol.’
De school op de hoek was voor de turfschippers wel eens makkelijk: was het scheepje leeg en kon het niet onder de brug doorvaren dan stapten in de pauze de kinderen in het ruim, zakte het scheepje en kon men verder varen.

Dwarsweteringen
De weteringen van noord naar zuid zij kaarsrecht en die dwarsweteringen zijn later gegraven. Kampen had wel een streepje voor: ze kregen Kampereiland maar de stad wilde ook een verbinding met Hasselt. Bij IJsselmuiden lagen wel een paar lage stukken. Er staat nog een huis Meerzicht, maar het meer is wel verdwenen. Kampen wilde dus een verbinding graven maar omdat de grond van de polder was is er tussen de eigenaar doorgegraven en is er enig zigzag effect ontstaan.
Maar eigenlijk staan we nog bij de school in Mastenbroek. Het is hier het dichtst bebouwd van de hele polder Mastenbroek. Vroeger woonde er onder anderen een familie Van Spijker en J.W. Hollander. Hollander was ’s zondags koster en in de week ventte hij met brood van de Coöperatie uit Hasselt. Rondom de kerk was het tweemaal Wielink: de ene handelde in hout en de andere was boer met koeien en varkens. Hij had de gewoonte om de varkens met biggen een poosje buiten te laten lopen. Een big dwaalde af naar de weg, in dit de geval de Kerkwetering. Boer Knol van de Nieuwe Wetering zag het biggetje en dacht leuk voor mijn vrouw zo’n heel klein biggetje. Boer Knol stopte het in de kofferbak van zijn auto en eenmaal thuis roept hij z’n vrouw en dochter. In de kofferbak zien ze alleen een gat in de bodem: het biggetje was weg. Halverwege de rit vond een ander het biggetje en niemand begrijpt nog steeds hoe een big zover kan lopen.

Eendenkooien
Eendenkooien waren er in de polder ook wel maar ik denk dat er de laatste honderd jaar niet veel mee gewerkt. Zo was er een tussen Hengeveld en Snel, dus aan de westkant van de weteringen en ook was er een aan de Nieuwe Wetering Oost.
Waar nu de familie Stoel aan de Oude Wetering woont en vroeger Berend Knol in het veld – ik weet niet of daar een kooi was – maar wel dat daarvoor er een familie Dijk woonde die vrijdags naar de markt ging met een mand vol eenden.
Verder de Oude Wetering langs komen we bij het Hanerik. Die naam zijn we al eerder tegen gekomen en wel bij het Frankhuis. Het woonwagenkamp daar heet ook De Hanerik.
Noordwaarts komen we bij het Witte Schaap aan de Kamperzeedijk. Weer terug naar het Hanerik en dan de Groene Steeg op richting Nieuwe Wetering. Op de hoek van Nieuwe Wetering en Groene Steeg vind je De Prins. Verder naar het zuiden ligt de kruising Nieuwe Wetering/Kerkwetering en nog iets verder de kruising Nieuwe
Wetering/Wolfshagenweg. Ten oosten van Wolfshagen, zo heb ik me laten vertellen, heeft een watermolen gestaan. Of er nog restanten van zijn weet ik niet, wel liggen er veel stenen naar men zegt. Goed dan weer naar het Vosje, waar vroeger de familie Lindeboom woonde en later de familie Kragt. Nu is het dubbel woonhuis.

Wordt vervolgd!

Bron(nen): 
Door Cor Kok wonende aan de Boxem
sluiten

Verhaal: Gedachten over de Polder Mastenbroek deel 2

Gedachten over de polder Mastenbroek

Oud Mastenbroeker Cor Kok (hij woonde bij de Boxem) reist aan de hand van zijn herinneringen door de polder Mastenbroek. Omdat hij veel te vertellen heeft wordt zijn verhaal in een paar afleveringen geplaatst.

De Boxem
Dan komt Cor Kok bij de Boxem: Vroeger stonden daar vier huizen of boerderijen. Ik denk dat mensen die dit lezen of horen met het hoofd beginnen te schudden, maar ik zal het uitleggen. Links aan de westkant woonde vroeger Van de Kamp en later Van de Weer. Dan stond er een zwarte schuur en dan weer een klein huisje waar een medewerker van het Waterschap woonde. Men zal misschien zeggen Harm Landman met Jennigje, maar nee, die woonden aan de Millgersteeg. Hier woonde een familie Sluisman of Huisman (de naam is mij niet precies bekend), dus dit zijn er twee. En aan de rechterkant de familie Van de Brink en daarvoor twee broers en een zuster Bergman.
Tegenover de familie Van de Brink woonde de familie Kok. Tussen de boerderijen van de families Kok en Van de Brink liep ook de Milligersteeg tussen twee muurtjes door. Maar pas sinds 1932: eerder was de weg gelijk aan de bovenkant van het muurtje. De brug lag toen wel een meter hoger. Dit was – lach niet – voor de scheepvaart! Ook aan de andere kant (nu A. Kok) zijn de betonnen muurtjes nog te zien.
Mensen met paard en wagen komende uit de Milligersteeg spoorden de paarden dan bij Bart Esseling zijn huis (later H. Landman) vurig aan om tegen de hoge brug op te komen.
Dat was ook luid te horen, maar daar wil ik niet teveel van vertellen omdat ik daar zelf gewoond heb.
Maar aan een ding erger ik me wel: aan de naam Stuurmansweg, vroeger De brede Steeg. Alle dwarswegen in de polder heetten steeg: Milligersteeg, Scholtensteeg, Zandsteeg en Proemensteeg. En dan komt er een deftige mijnheer te wonen en dan wordt het Stuurmansweg! Het was toch Mastenbroek en dan moet je ook een stuurman hebben. Ik hoop dat het gauw weer Breesteeg wordt.

Mest
Ik wil niet beweren dat ik gelijk heb maar het is mij verteld door iemand die er onderzoek naar gedaan heeft: de naam Mastenbroek heeft niets met masten van doen gehad. Vroeger sprak men in het dialect mest uit als mas . In de polder liep het vee in de tijd van bisschop Jan van Arkel op de hogere stukken. Het waren geen melkkoeien maar mestvee (in dialect masvee). Broek is laag land en zo kom je dan op Mastenbroek.

Aan het eind van de Oude Wetering, van het jaagpad naar de Ramakerzijl kun je in het landschap nog zien dat er sprake was van een rivierarm. Voorvaderen van de familie Visscher gingen hierlangs om kunstmest te halen voor de boeren in de polder.
Ze gingen dan met een boot of bok met paard over de weg en het laatste stuk het jaagpad naar Ramakerszijl. Bij de dijk werd het paard uitgespannen en bij een boer op stal gezet, dan duwde men met twee personen de bok krachtig van de oever naar de overkant van het Zwartewater naar de Vulkaan of Agrarisch Unie . Daar kwamen zakken van 100 kilo aan boord. ‘Ja de arbeidsinspectie bestond nog niet en 20 kilo was de moeite niet en die zakjes bestonden ook niet.’
Was de bok vol dan weer naar de overkant. De mensen duwden de boot flink af en die dobberde weer naar de westkant. Het paard ging weer voor de bok en zo bracht men de kunstmest naar de boeren in de Mastenbroekerpolder.
De zware zakken gingen met een soort veer met hefboom op schouderhoogte en dan op de schouder de wal op en bij de boer in de schuur. En als je dan nu het materiaal bij Visser ziet staan...

Straat van Gibraltar
De eerder genoemde betonnen muurtjes werden ook wel de Straat van Gibraltar genoemd. Ze te passeren was niet altijd gemakkelijk. Daar wisten de loonwerkers over mee te praten die soms muurvast kwamen te zitten met een tractor met dubbele lucht of een hakselaar.
De koeien en de pinken werden los over de weg naar een nieuwe weide gedaan. Bij een dam die open stond ging men gauw met de fiets staan om de koeien voorbij te laten en dan gauw op de fiets tussen de koeien door naar de volgende oprit. Bij de Boxem was het altijd oppassen geblazen als er koeien aan kwamen.
Er zijn leuke verhalen over dat vee drijven: Zo stond een koe van Wim Put uit Westenholte ineens bij mevrouw Van de Brink in de keuken en een pink van Klaas Hof stak bij de buurman de kop door het raam toen deze net achter het visje van de veemarkt zat.
Boer Pelleboer fietste achter een koppeltje pinken die net van de stal kwamen. Een pink met een kluit mest aan de staart sloeg door de spaken van de fiets van boer Pelleboer die met fiets en al over de kop sloeg en hij had de spaken uit het wiel.

wordt vervolgd!

Bron(nen): 
Door Cor Kok wonende aan de Boxem
sluiten

Verhaal: Gedachten over de Polder Mastenbroek deel 1

Gedachten over de polder Mastenbroek

Oud Mastenbroeker Cor Kok (hij woonde bij de Boxem) reist aan de hand van zijn herinneringen door de polder Mastenbroek. Omdat hij veel te vertellen heeft wordt zijn verhaal in een paar afleveringen geplaatst.

‘Omdat wij aan de zuidkant van de polder Mastenbroek woonden dachten wij dat we vooraan in de polder woonden bij Zwolle. Maar op de landkaart tot grote schrik stonden we onderaan. Je had natuurlijk grondgebied van Zwolle, Hasselt, Genemuiden, Grafhorst en Kampen. Dan nog Westenholte en Frankhuis hoorde er ook bij.’
Westenholte was maar klein. Destijds met een tiental boerderijen niet groot. Later minder boerderijen maar wel groter. En ik denk aan ongeveer de jaren zestig met V.V. Klompen en Van Dijk Houthandel. Die leverde vooral eiken bergroeden (lange palen voor de hooiberg), soms wel tien tot twaalf meter. En ze stonden bekend om hun houten hooi harken.
Frankhuis was misschien wel de ‘voorstad’ van polder Mastenbroek. Mensen die dit lezen beginnen misschien wel te glimlachen en denken dan aan het woonwagenkamp!
Nou had ik dit tot het laatste willen bewaren, maar goed, het kamp is er nog steeds.
In Frankhuis had je Hullen de smid, kruidenier Jan Wieten met zijn moeder van 80 jaar of nog wel ouder en Jan Dragt de wagenmaker. Bruggeman de kapper, Bisschop de fietsenmaker, Jansje van Munster voor sigaren en sigaretten, een depot houder van de wasserij. Het café van Otse de Jong met zijn vrouw en schoonzuster, bloemist Van Ittersum, groenteboer Niemeijer en er was nog een schoenmaker. Je had ook nog Kieftenbeld timmerman of aannemer.
Bakkerij Lindeboom verkocht vooral brood maar ook gebak. Brood uit venten deed hij ook met paard en wagen. Tijdens het venten met brood aan de Hasselterdijk kreeg het paard op een keer een veulen! Het paard werd met veulen bij een boer in de stal ondergebracht en in de avond werden paard en veulen (veulen in de bakkerskar) en de kar weer naar huis gehaald. Of de bakker heeft getrakteerd op beschuit met muisjes weet ik niet…

Kanaal
We hebben nu het kanaal dwars door Frankhuis maar eerst was het een stuk. Ongeveer na 1960 had je twee gedeelten met aan de overkant Houthandel Eindhoven en zuivelfabriek de Blokmelk.
Zelf vind ik dat er in vroegere jaren een geweldige middenstand in Frankhuis was. In 2010 vertelde een bewoner van een woonwagenkamp in Steenwijk mij het verhaal dat zijn vader vroeger met de wagen ’s zomers in Zwolle stond en in de winter in Steenwijk. En ’s zomers, zo vertelde hij, ging hij dan petroleum halen bij Jan Wieten: ‘Was die oude moeder achter dan pakten wij gauw snoep uit de vakken. Wat werden die mensen bestolen en alles rook in de winkel naar petroleum.’
Toen het café van De Jong verbrand is, zijn ook alle bekers en vlaggen van de voetbalvereniging WVF verbrand, want die voetbalden ook in Frankhuis. Tegenwoordig is Frankhuis eigenlijk niets vergeleken bij vroeger.

Ramakerzijl
Nu iets over de Ramakerzijl (ziel), de sluis naar de Mastenbroekerpolder. Nu alleen gebruikt voor water inlaat bij in de zomer langere droge perioden. Maar vroeger gingen hier schepen of moet ik zeggen scheepjes doorheen met turf en kunstmest. Ook bouwmaterialen, vooral zand, werden per boot of bok (een platte boot) aangevoerd.
Het eerste stuk van de Ramakerzijl naar de Oude Wetering is vermoedelijk een rivierarm. Het past eigenlijk ook niet in de lijn van de Bisschops- , Oude en Nieuwe Wetering en stond ook lijnrecht op het kasteel Werkeren, later boerderij het Werkel. De oude ruïne van het kasteel is nu goed zichtbaar.
Maar ook de boerderij was groot en anders dan de boerderijen in de polder Mastenbroek.
De volgende boerderij links aan de Oude Wetering was Stokebrand of Stokkebrand in de volksmond. Het was altijd Anton en Marie van Stokkebrand en zo werd ook gesproken over Bertus en Annie van het het Werkel. Tegenover deze boerderij stond nog een boerderij maar deze had geen naam.
Dan verder aan de rechterkant stond de boerderij Het Luibuis. Ik kan niet zeggen dat die mensen die er woonden en gewoond hebben lui waren, eerder harde werkers. Vroeger bewoond door de familie Van Dam en later door de familie Snel-Pelleboer. Boer Van Dam had ook varkens en in het bijzonder een beer. Hij had volgens mij hier een vergunning voor (beerhouder).
Bij het Luibuis was als men de brug over ging dadelijk links een landweg die richting de Boxem ging. Na 600 meter rechtsaf richting Hasselterdijk - Werkerlaan misschien wel een kilometer lang. Later werd er een nieuwe brug gemaakt over de Wetering en hoefde je niet meer bij Van Dam en later Snel langs, maar de ruilverkaveling heeft dit ook weer achterhaald hoewel de brug er nog steeds is.
De volgende boerderij links lag een behoorlijk stuk van de Oude Wetering. Ik denk dat hij in 1935-1936 gebouwd is, daarvoor werd het land dat bij de boerderij lag elk jaar los verhuurd. Het land aan de andere kant van de Oude Wetering tegenover deze boerderij noemde men de Lozekoten maar de betekenis ervan weet ik niet.

Wordt vervolgd.

Bron(nen): 
Door Cor Kok wonende aan de Boxem
sluiten

Verhaal: Hoe het stil werd in de polder deel 6

Deel 6

Kerkelijke cultuur

De kerkelijke cultuur was behoudend en werd op een bepaald moment zelfs nog veel behoudender. Ontwikkelingen werden argwanend gevolgd. Zo moest er de nodige tegenstand worden overwonnen, voordat er een orgel in de kerk kwam.

In de kerk in Mastenbroek is in 1886 op 24 februari voor de eerste maal een avonddienst gehouden bij petrolie verlichting. Nu ontbrak nog een orgel. Meester Annouw leidde tot hiertoe de kerkzang en sloeg elke regel aan. Toen kwam dominee Kornelis van der Werfhorst, op de kansel. Die was een voorstander van een orgel. Maar nu moest veel tegenstand overwonnen worden. De meeste leden der kerkenraad waren oude mannen, welke steeds werden herbenoemd. Een werd gewipt, die had op zaterdag een koe gesmokkeld en zondagmorgen gezouten en toen aan het nachtmaal deelgenomen. Dat was lang niet, ‘geeft des Keizers wat des Keizers is’. In de notabelenbank zaten veelal jongere mannen. Bij de benoeming zocht men de gemeente af naar personen welke maar zelden in de kerk verschenen om trouwer opkomst te bevorderen.
Maar nu naar het orgel terug, sommigen vonden het niet gepast de stichtelijke kerkzang door muziek te verhogen, anderen meenden dat al was er nu geen veepest, toch de kerk deze uitgave niet gedoogde. Dominee zeide ‘kerk en armen mochten elkaar bijstaan’. Uiteindelijk werd besloten een orgel aan te schaffen. Maar nu, hoe groot en hoe duur? Dominee zeide: ‘voor harmonie is de kerk veel te groot’. Toen zeide een oude boer: ‘o nee nee, dominee gien herremonika in de kerk loaten speulen’. Na veel gescharrel werd een orgel aangeschaft. En de nu reeds lang overleden meester Annouw werd ontslagen als voorzanger.

Einde.

Bron(nen): 
Dit is een gedeelte uit het boek 'Hoe het stil werd in de polder'
Baukelien Koopmans-van der Werff schrijft hier over het leven van haar betovergrootvader Jan Hoekman (1859-1949).
In de cursief aangegeven alinea's is Jan Hoekman zelf aan het woord, omdat hij deze tekst naliet in de achttien vol gepende schriften die hij naliet aan zijn nageslacht.
sluiten

Verhaal: Hoe het stil werd in de polder deel 5

Deel 5

Dominees

Volgens Jan Hoekman was er in de jaren zeventig een overvloed aan dominees. Hoewel de afgelegen polders helemaal niet zulke aantrekkelijke kerkelijke gemeentes waren, kan hij zich een periode herinneren dat er maar liefst twaalf afgestudeerde theologen een proefpreek kwamen houden in Mastenbroek. Als in een soort talentenjacht preekten de jonge theologen naar beste kunnen, in de hoop er te worden beroepen.
Maar voor de gelukkige winnaar van de ‘prekenwedstrijd’ viel het wonen in de polder vaak helemaal niet mee. Ze waren niet gewend in dergelijke afgelegen gebieden te wonen. Vooral de wintermaanden zorgden voor eenzame periodes. De gemeenteleden probeerden dan ook goed voor hun dominee en zijn vrouw ‘de juffrouw’ te zorgen, zodat ze het er een beetje konden uithouden.

In de herfst werd de jonge juffrouw door enkele boerinnen bijgestaan bij de inmaak van bonen, kool enzovoort. De dominee moest ook een koe slachten, want wie zou hem in de winter vlees bezorgen? Zo kochten bijvoorbeeld vier boeren een vette koe op zijn orders. Samen met hun vrouwen gingen ze dan naar de dominee om te slachten. De koe van de dominee viel altijd mee, veel vet en zwaar gewicht. De mannen moesten slachten, afhakken, zouten enzovoort. De vrouwen zorgden voor de worstmakerij. Zo had men daar minstens twee dagen pret, dit bracht dominee en gemeenteleden nader tot elkaar. Zij brachten veel bezoeken en de omgang werd zeer hartelijk.

Doordat niet iedere dominee goed aarde in de afgelegen polder, vertrokken enkelen ook weer erg snel zodra elders een gemeente vacant was. Zo waren er jonge ongehuwde dominees die wel een relatie hadden, maar wier verloofde niet wilde wonen op een plek met zoveel water en zulke slechte wegen. Ook gebeurde het wel dat de dominees die al wel waren getrouwd, alsnog vaak alleen in de polder zaten. Als bijvoorbeeld hun echtgenote zwanger was, verbleef zij weken bij haar ouders in afwachting van de bevalling.

Wordt vervolgd!

Bron(nen): 
Dit is een gedeelte uit het boek 'Hoe het stil werd in de polder'
Baukelien Koopmans-van der Werff schrijft hier over het leven van haar betovergrootvader Jan Hoekman (1859-1949).
In de cursief aangegeven alinea's is Jan Hoekman zelf aan het woord, omdat hij deze tekst naliet in de achttien vol gepende schriften die hij naliet aan zijn nageslacht.
sluiten

Verhaal: Hoe het stil werd in de polder deel 4

Deel 4

Klokkenluiden

In het laatste schooljaar mocht Jan Hoekman de schoolmeester vaak vervangen bij het klokkenluiden. Meester was namelijk tevens klokkenluider, maar als om negen uur ’s ochtends een overlijden bekendgemaakt moest worden via het klokkenluiden, kon hij niet in de toren klimmen om te ‘kleepen’. Dit was dan de taak van Jan Hoekman.

In het midden van de beide klokken hing een zware kogel aan een snoer. Als nu een man overleden was, dan sloeg men driemaal vlug achter elkaar de bal tegen de klok, met kleine tussenruimte weer driemaal, weer kleine ruimte en dan voor de derde maal. Dus driemaal drie voor een man, driemaal twee voor een vrouw en tweemaal twee voor een kind. Dan stond onder in de toren bij het touw van iedere klok een man. Na het kleepen riep ik naar beneden, ‘nu maar’. En dan begonnen die twee mannen te luiden.

Werd iemand begraven was het kleepen evenzo. Maar dan waren er vier luiders en die waren ook wel nodig, het was zwaar werk. Toen ik 16 of 17 jaar was moest ik ook mee toen een kind uit de buurt werd begraven. Bij aankomst bleek het graf te klein, dat moest de grafdelver vergroten en wij moesten steeds doorluiden. Wij stonden in ons hemd en onderbroek en waren nog nat van het zweet.

Wordt vervolgd!

Bron(nen): 
Dit is een gedeelte uit het boek 'Hoe het stil werd in de polder'
Baukelien Koopmans-van der Werff schrijft hier over het leven van haar betovergrootvader Jan Hoekman (1859-1949).
In de cursief aangegeven alinea's is Jan Hoekman zelf aan het woord, omdat hij deze tekst naliet in de achttien vol gepende schriften die hij naliet aan zijn nageslacht.
sluiten

Verhaal: Hoe het stil werd in de polder deel 3

Deel 3

Stoomgemaal

De wegen verbeterden pas aanzienlijk in de jaren ’80. Dit kwam door de bouw van een tweede stoomgemaal. Het eerste stoomgemaal was al in 1858 geplaatst, maar dit had niet voldoende capaciteit om de hele polder in de winter droog te houden.

In 1872 brak er iets aan het stoomgemaal en duurde het lang voor dit hersteld was. Het gevolg was dat dit jaar alle lage landen om de Mastenbroeker kerk, het Aandrik, Drie bruggen, Papenkop enzovoort in mei nog blank stonden en het bijna juni was voor het vee in de weide kon.

Toen zag men meer en meer in dat een tweede stoomgemaal gebouwd moest worden. Voor de bouw van dit tweede stoomgemaal moest meer tegenstand overwonnen worden. Boeren die grond hadden in hoger gelegen delen van de polder voelden er weinig voor, omdat het bouwen van een tweede gemaal met verhoging van polderlasten gepaard zou gaan. De voorstanders voerden aan dat men dan steeds boven water zou blijven, de bemesting meer nut zou hebben en men kreeg geen hooi in het water enzovoort. De tegenstanders moesten het afleggen en in 1880 werd het tweede gemaal gebouwd. Daarna bleef de polder ook in de winter boven water.

Toen gingen stemmen op om de wegen te verharden. Vele der oudere boeren waren daar tegen. De polderlasten waren door het plaatsen van die twee stoomgemalen reeds zo verhoogd dat het niet geraden was nu de wegen te verharden. Maar na lang wikken en wegen werd toch tot verharde wegen besloten, en niemand zou nu de oude toestand terug wensen.

Wordt vervolgd!

Bron(nen): 
Dit is een gedeelte uit het boek 'Hoe het stil werd in de polder'
Baukelien Koopmans-van der Werff schrijft hier over het leven van haar betovergrootvader Jan Hoekman (1859-1949).
In de cursief aangegeven alinea's is Jan Hoekman zelf aan het woord, omdat hij deze tekst naliet in de achttien vol gepende schriften die hij naliet aan zijn nageslacht.

Pagina's

Subscribe to RSS - het dagelijkse leven